| 32937 |
hoeveelheid hooi die men opsteekt |
gaffel:
gafǝl (L374p Thorn),
riek:
rēk (L374p Thorn)
|
De hoeveelheid hooi die de opsteker in één keer met z''n gaffel aangeeft aan de optasser. Zie voor het vocalisme van het woordtype riek de opmerking in de semantische toelichting bij het lemma ''houten schudgaffel'' en bij het lemma ''hooihark''.' [N 14, 118; A 34, 5a]
I-3
|
| 21866 |
hogen |
hogen:
heuge (L374p Thorn, ...
L374p Thorn),
heuəge (L374p Thorn)
|
de eerder geboden som verhogen op een veiling [hogen, een hoog zetten] [N 89 (1982)] || het bedrag waarmee men het bod verhoogt (door bijv. als verkoper mee te bieden) op een veiling [hoog] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 22525 |
hogen, hoogjassen (kaartspel) |
hogen:
heuge (L374p Thorn)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33398 |
hok voor de beer |
berestal:
biǝrǝstal (L374p Thorn)
|
Soms gebruikt men, in aansluiting bij de benamingen voor het hok van de zeug, ook specifieke benamingen voor de hokken van de beer, de mestvarkens en de biggen. Deze laatste staan in de drie volgende lemma''s bijeen. [N 76, 41e]
I-6
|
| 26581 |
hol scherpen |
scherpen:
šerpǝ (L374p Thorn)
|
De groeven hol maken. [N O, 34c]
II-3
|
| 22024 |
holenduif |
holenduif:
hoaledoef (L374p Thorn)
|
holenduif (33 lijkt op een blauwe postduif, maar zonder witte stuit; broedt in holle bomen en de laatste tijd ook in stadstorens en muurgaten; roep [hoe-ò, hoe-ò, hoe, hoe] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24323 |
hom |
geut:
WLD
goat (L374p Thorn)
|
Hoe noemt u het voortplantignsvocht van mannelijke vissen (hom, melk, geiltje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24324 |
hommel |
hommel:
ideosyncr.
hommel (L374p Thorn),
WLD
hómmel (L374p Thorn),
horzel:
hoostel (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
Hoe noemt u een soort bij: groot, breed gebouwd en meestal kleurig behaard (bruinrood of geel) (hommel) [N 83 (1981)] || hommel [DC 09 (1940)], [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 20524 |
homp brood |
homp:
hŏŏmp (L374p Thorn),
hômp (L374p Thorn)
|
homp; Hoe noemt U: Een dik stuk brood (homp, fomp, facht, hoft, knods, knoft, kreeuw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19784 |
hond |
hond:
hondj (L374p Thorn),
hòntj (L374p Thorn)
|
hond [SGV (1914)]
III-2-1
|