| 32621 |
kraan van de metalen gierton |
kraan:
krān (L374p Thorn)
|
De kraan van de zinken gierton bestaat uit een korte, met een schuif of klep te sluiten buis, die van achteren voorzien is van of zich voortzet in een schuine of opgebogen lip of plaat. Als de kraan geopend is, stroomt de gier uit de ton tegen deze lip op waardoor zij zich in een wijde boog verspreidt. De in dit lemma opgenomen termen hebben achtereenvolgens betrekking op de kraan, het sluitstuk als geheel, het gierverspreidend onderdeel daarvan en de schuif of klep waarmee de kraan geopend en gesloten wordt. [JG 1a + 1b; N P, 6; N 11A, 54c; monogr.]
I-1
|
| 26549 |
kraanarm |
balk:
balǝk (L374p Thorn)
|
De horizontale balk van de steenkraan. Zie ook afb. 86. [N O, 20c]
II-3
|
| 26548 |
kraanboom |
balk:
balǝk (L374p Thorn)
|
De rechtopstaande balk van de steenkraan. Zie ook afb. 86. [N O, 20b]
II-3
|
| 24196 |
kraanvogel |
kroenekraan:
kroenekrane (L374p Thorn),
warover het oude kinderliedje: "Kroenekrane wiggelewane loatj os met nar Ingelandj vare..., enz.
kroenekraan (L374p Thorn)
|
kraanvogel [SGV (1914)] || kraanvogel (114 alleen op trek; nu vrij zeldzaam; in grote V-vormige troepen overvliegend; alleen in Oost-Brabant; overnachtend bij vennen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17918 |
krabben |
dabben:
dabbe (L374p Thorn),
krabbelen:
krabbele (L374p Thorn),
kratsen:
kratse (L374p Thorn),
kratsen (L374p Thorn),
schobben:
sjóbbe (L374p Thorn),
schuren:
sjoore (L374p Thorn)
|
krabben [SGV (1914)] || krabben: schuren, krabben tegen jeuk [schobbe] [N 10 (1961)] || krabben: zijn hoofd krabben tegen jeuk [kraowe] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 20739 |
krakeling |
bril:
brille (L374p Thorn),
krakeling:
krakeling (L374p Thorn)
|
Krakeling (britsel, ring?) [N 16 (1962)] || Wittebrood in de vorm van een man (steeve, steeveman, weggeman, nieuwjaarsman, ziepesprengert, boekeman?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 23718 |
kralen van de rozenkrans |
kralen:
kralle (L374p Thorn, ...
L374p Thorn)
|
De kralen van de rozenkrans [de kralle, krelkes, kraole, kräölkes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24197 |
kramsvogel |
sjakker:
omdat hij in grote vluchten zich snel verplaatst, overal zijn voer zoekend; "rondschooien"is dial. rondsjakken
sjakker (L374p Thorn),
onomatopee
sjakker (L374p Thorn)
|
kramsvogel || kramsvogel (25 groter dan koperwiek [021]; vaak in diens gezelschap; heeft grijze kop en stuit; ook alleen wintervogel; roep [tjak-tjak-tjak] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 27868 |
krans, afslagmijnen |
kopschoten:
kǫpšø̄ǝt (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Laura, Julia]),
stootgaten:
stōsgātǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina]),
vloerschoten:
vlūršø̄ǝt (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Oranje-Nassau II, Emma, Hendrik])
|
De buitenste ring of ringen van schoten van een schietfront. In dit lemma is een onderverdeling gemaakt in: A. algemene benamingen voor de buitenste ring of ringen van schoten; B. kransschoten of afslagmijnen die aan de bovenzijde van het front zijn aangebracht; C. kransschoten of afslagmijnen die aan de zijkant van het front zijn aangebracht; D. kransschoten die in de buurt van het vloergesteente zijn aangebracht. Door het feit dat er in de vragenlijst N 95 geen onderscheid is gemaakt tussen vloerschoten en kopschoten van een krans en de gelijknamige schoten die worden geboord bij het schieten van de stok, zijn een aantal woordtypen en varianten uit de groepen B. en D. mogelijk ook van toepassing op de boorgaten van het schietfront van een galerij. [N 95, 434; N 95, 436; N 95, 437; N 95, 438; N 95, 431; monogr.; Vwo 51; Vwo 52; Vwo 189; Vwo 271; Vwo 279; Vwo 452; Vwo 455; Vwo 520; Vwo 521; Vwo 559; Vwo 649; Vwo 751; Vwo 756; Vwo 836]
II-5
|
| 24045 |
kransen |
krans (zn.):
krans (L374p Thorn)
|
Een krans van dennegroen maken voor een priesterfeest [krensen]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|