| 33822 |
mak |
braaf:
braf (L374p Thorn)
|
Gezegd van een zachtaardig, gewillig paard. [JG 1a; N 8, 64i en 64j]
I-9
|
| 19110 |
maken |
maken:
maakə (L374p Thorn)
|
maken [DC 02 (1932)]
III-1-4
|
| 26458 |
mal |
mal:
mal (L374p Thorn)
|
Elk van de twee stukken karton, als model gebruikt bij het uitsnijden van de leerhelften voor het haamkussen of kussenleder. [N 36, 15a; Li 1963, 53]
II-10
|
| 26588 |
malen |
malen:
mālǝ (L374p Thorn)
|
Graan fijnmaken met behulp van een molen. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛbreken, snijdenɛ. Het woordtype malen heeft in P 53, P 58, Q 77a en Q 83 naast de bovengenoemde algemene betekenis ook de specifieke betekenis ø̄de bewerking die de graankorrel ondergaat op het ɛmaalvlakɛ van de molensteenø̄. Vanderspickken (pag. 61) merkt daarover op: ø̄Als het graan tussen de maalstenen komt, wordt het eerst in het midden van de steen gebroken of gesneden en meer naar de buitenkant toe gewreven of gemalen.ø̄' [N O, 36a; JG 1a; Vds 4; Jan 8; Coe 8; Grof 17; monogr.]
II-3
|
| 21117 |
mals, gezegd van boter |
mals:
mals (L374p Thorn),
zacht:
zaogt (L374p Thorn)
|
mals, goed smeerbaar, gezegd van boter (plat) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 20205 |
man |
man:
mân (L374p Thorn),
mens:
mins (L374p Thorn)
|
man [RND], [RND]
III-3-1
|
| 24203 |
man, mannelijke zangvogel |
mannetje:
menke (L374p Thorn)
|
mannelijke zangvogel (tersel) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 18422 |
manchet |
manchet:
mansjet (L374p Thorn)
|
manchet, vaste mouwboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18700 |
manchetknoop |
manchettenknoopje:
mansjetteknuipke (L374p Thorn)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 26825 |
mand |
mand:
manj (L374p Thorn)
|
De algemene benaming voor een uit wissen gevlochten mand. Zie ook afb. 284. Uit het materiaal blijkt dat er niet altijd een onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden mand en korf. Als dat wel wordt gedaan, duidt men met het eerste woord eerder een mand met oren aan, terwijl men het tweede gebruikt voor een mand met een hengsel (vgl. Janssens, pag. 24 e.v.). Zie ook het lemma ɛkorfɛ.' [N 20, 48; N 40, 37; L 1 a-m; S 23; monogr.]
II-12
|