| 34048 |
mestkalf |
hokkeling:
hǫkǝleŋ (L374p Thorn),
nuchter kalf:
nø̄xtǝr [kalf] (L374p Thorn)
|
Kalf dat gehouden wordt voor de slacht. Woordtypen als kistkalf, hokkalf, plankkalf duiden op een kalf dat vet gemest wordt in een kist of box. Zie voor de fonetische documentatie van (kalf)en (kalfje) het lemma ''kalf'' (3.1.1). [N 3A, 75b; N 3A, 76; N C, 8; S 14; monogr.]
I-11
|
| 32585 |
mestkar |
mestkar:
[mest]kɛr (L374p Thorn)
|
De kar waarmee men stalmest naar het land vervoerde. Als deze kar niet uitsluitend voor het vervoer van mest bestemd was, werd ze na het mestuitrijden gereinigd. Als mestkar gebruikte men meestal de korte kar (L 115 vroeger, 159a, 163, 192a vroeger, 192b, 209, 216, 246 vroeger, 248, 265, 265b, 266, 288, 289, 290, 292, 320a, 324, 331, 331b, 369, 422), de slagkar (L 115 later, 192a later, 246 later, 247, 248, 265b, 270, 292, 294, 318b, Q 27, 191, 204a) en de aardkar (L 289, 314, 360, 364, 366, 367). Voor deze kartypen zij verwezen naar de aflevering betreffende de (oude) landbouwvoertuigen e.a.. Termen als mestwagen wijzen op een moderner vervoermiddel, dat - ook al is het tweewielig - wagen wordt genoemd, omdat het met luchtbanden is uitgerust. [N 11A, 7; N 17, 2a + 3a + 8 add. + 15b; A 42, 8a + b; monogr.]
I-1
|
| 24335 |
mestkever |
mestkever:
WLD
méstkèèver (L374p Thorn),
mulder:
ideosyncr.
mulder (L374p Thorn)
|
Hoe noemt u de mestkever: een soort kever, groot blauwachtig glanzend, die in mest of van mest leeft (stronthommel, pekbeest, strontbeest, strontmulder) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 32839 |
mestplakken verspreiden |
koestront breiden:
kustrontj˱ bręi̯ǝ (L374p Thorn),
koestront spreiden:
kustrontj spręi̯ǝ (L374p Thorn)
|
De koemestplakken in de wei met een riek of schop uit elkaar slaan, om te voorkomen dat er zich op die plekken schitbossen vormen. [NM, 8b; N 11A, 40b; div.; monogr.]
I-2
|
| 33622 |
mestvaalt |
mesthoop:
mèsthoup (L374p Thorn),
mestkuil:
mèstkoel (L374p Thorn),
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mestkoel (L374p Thorn),
mestmijt:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
mestmiet (L374p Thorn)
|
[SGV (1914)]mesthoop bij de boerderij [DC 09 (1940)]
I-7
|
| 26211 |
met alleen de toppen ontbloot |
op klein koordje:
ǫp klęjn kø̜̄rtjǝ (L374p Thorn)
|
Gezegd van een molen wanneer deze draait met zeilen die aan de toppen opgerold zijn. Zie ook afb. 44C. [N O, 7g; A 42A, 74; A 42A, add.]
II-3
|
| 33878 |
met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen |
houwen:
hǫu̯ǝ (L374p Thorn)
|
[N 8, 53]
I-9
|
| 23632 |
met de collecteschaal rondgaan |
collecteren (<fr.):
collecteren (L374p Thorn),
met de schaal gaan:
mette sjaol gaon (L374p Thorn),
met de schaal rondgaan:
met de sjaol rondjgaon (L374p Thorn),
mette sjaol rondjgaon (L374p Thorn)
|
Collecteren met de open schaal, met de schaal rondgaan. [N 96B (1989)] || Een schaalcollecte, een collecte voor een bijzonder doeleind, waarbij met neen open schaal werd rondgegaan [schaolkollekt?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21984 |
met de duiven naar de inkorfplaats gaan |
korven:
Algemene opmerkingen bij deze vragenlijst:
gaon körve (L374p Thorn)
|
Hoe zegt men: met de duiven naar de inkorfplaats gaan om aan wedstrijden deel te nemen? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
botsen:
butsǝ (L374p Thorn)
|
[N 19, 75]
I-12
|