| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
achteruit zetten:
axtǝrut ˲zętǝ (L374p Thorn),
terugzetten:
tryk˲zętǝ (L374p Thorn)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 34623 |
met de kar rijden, iets vervoeren |
varen:
vārǝ (L374p Thorn)
|
Dit lemma vormt een aanvulling van het lemma met paard en kar rijden in wld I.10. Alleen de opgaven voor de plaatsen waarvoor in WLD I.10 geen materiaal voorhanden was, zijn hier opgenomen. De kaart combineert de gegevens van beide lemmata. [N 17, 94; RND 97; monogr.]
I-13
|
| 33863 |
met de poten dicht bijeen staan |
(te) eng staan:
eŋ stǭn (L374p Thorn)
|
[N 8, 78a en 78b]
I-9
|
| 33176 |
met de schop poten, kuiltjes maken |
poten:
[poten] (L374p Thorn)
|
Het poten met de hand, in tegenstelling tot het poten met de ploeg, bestaat eigenlijk uit drie handelingen: (a) het graven van een kuiltje met de schop ofwel het steken van een gat in de grond met de kruk; (b) het gooien van een pootaardappel in dat kuiltje; en (c) het weer dichtmaken van het gat. In de vragenlijst zijn de handelingen (a) en (b) apart afgevraagd; maar soms hebben de zegslieden toch met één algemene term geantwoord. Deze algemene termen voor poten staan achter in het lemma bijeen; voor de fonetische documentatie daarvan zij verwezen naar het lemma Poten. [N 12, 14 en 15; monogr.]
I-5
|
| 22341 |
met de vlakke hand op iemands rug slaan |
batsen:
batse (L374p Thorn),
klatsen:
klaatse (L374p Thorn)
|
Met de vlakke hand op iemands rug slaan [batsen, doezen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 26212 |
met driekwart van het zeil bij |
half:
halǝf (L374p Thorn)
|
Gezegd van een molen wanneer hij draait met driekwart van het zeil bij. [N O, 7h]
II-3
|
| 22641 |
met een drijftol spelen |
pompernellen:
Met een schoenveter aan een stuk hout ging dit het beste.
pómpernelle (L374p Thorn)
|
tollen [SND (2006)]
III-3-2
|
| 26214 |
met een kwart van het zeil |
op storm:
ǫp stǫrǝm (L374p Thorn)
|
Gezegd van een molen die draait met een kwart van het zeil bij. Zie ook afb. 44A. [N O, 7j; A 42A, add.; N O, 7h]
II-3
|
| 17946 |
met grote stappen lopen |
schrokken:
sjrókke (L374p Thorn)
|
stappen, grote ~ maken [stuppen] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 26213 |
met halve zeilen |
op half koordje:
ǫp halǝf kø̄rtjǝ (L374p Thorn)
|
Gezegd van een molen wanneer hij draait met de zeilen voor de helft opgerold. Zie ook afb. 44B. [N O, 7i; A 42A, add.; A 42A, 74 add.; N O, 5i; N O, 5h; N O, 7h]
II-3
|