| 21078 |
poffen |
poffen:
poafǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits]),
pofǝ (L374p Thorn
[(Maurits)]
[Maurits])
|
Gezegd van de vloer van een mijngang die door de druk omhoog komt. De invuller uit Q 15 merkt hierover voor de mijn Maurits op dat het "zwellen" vooral voorkwam, wanneer het vloergesteente van de gang zachter was dan het dakgesteente. [N 95, 388; N 95, 932; N 95, 387; monogr.; Vwo 456; Vwo 612; Vwo 721; Vwo 860]
II-5
|
| 20762 |
poffertje |
poffertje:
pufferkes (L374p Thorn)
|
Poffertje [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18420 |
pofmouw |
pofmouw:
pofmoew (L374p Thorn)
|
pofmouw van jurk of blouse [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18052 |
pokdalig |
mottig:
mottig (L374p Thorn),
pokkelig:
pŏŏkelig (L374p Thorn)
|
pokken: Door pokken geschonden, gezegd van de huid (mottig). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19418 |
poken |
poken:
pōəkə (L374p Thorn)
|
poken [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21437 |
politieagent |
agent:
agent (L374p Thorn),
politieman:
politiemanne (L374p Thorn)
|
een agent van politie [linkert, agent] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 19482 |
pollepel |
potlepel:
potlieepel (L374p Thorn),
soeplepel:
soplieepel (L374p Thorn)
|
lepel, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17657 |
pols |
pols:
pols (L374p Thorn)
|
pols [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 18292 |
polsmof |
polsmof:
polsmof (L374p Thorn),
stuik:
vgl. Van Dale (DN): Stauche, (pols)mof
stoek/stuuk (L374p Thorn)
|
polsmof, kort gebreid kledingstuk ter verwarming van pols en hand [sjtoek, polsmof, handmufke, armmufke, molleke, moefke] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33807 |
pommelee, appelschimmel |
appelschimmel:
apǝlšømǝl (L374p Thorn),
pommelee:
pomǝlē (L374p Thorn)
|
Paard met ronde, glanzende plekken in de vorm van appels in het haarkleed, van binnen wit en van buiten zwart. De afwisseling van zwarte en witte haren vormt een cirkelvormig patroon, vooral op de schouders en het kruis. [JG 1a, 1b; N 8, 63c, 63d en 63e]
I-9
|