e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Tienray

Overzicht

Gevonden: 3725
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
band kuipband: kyp˱bānt (Tienray) In het algemeen de band die de houten duigen van een vat of kuip omspant en bijeenhoudt. De band is doorgaans van ijzer vervaardigd. Vroeger werden ook houten banden gebruikt. [A 19, 1a; monogr.] II-12
band, lint lint: līnt (Tienray) Lintvormig weefsel van katoen, linnen, fluweel enz. ter afboording, versiering of versteviging. [N 62, 58d; N 62, 58c; Gi 1.IV, 55; Gi 1.IV, 56; monogr.] II-7
bandiet schobbejak: schóbbejak (Tienray) een gewelddadige schurk [bandiet, schobbert, schobbejak, deugniet, boelmaker] [N 90 (1982)] III-3-1
bang angstig: engstig (Tienray), schijterig: schieterig (Tienray), schouw: schouw zîên (Tienray) angstig || bang, kleinzielig, krenterig || een min of meer beredeneerde vrees van iets hebbend [bang, schouw] [N 85 (1981)] III-1-4
bangerik bangerik: bangerik (Tienray), bangeschijter: bangeschieter (Tienray), blaas: scheldwoord voor: angstige man of jongen  blāōs (Tienray), schijtboks: schietboks (Tienray), schijterd: schieterd (Tienray, ... ), schijthuis: schiethüs (Tienray), (uu: kort).  schiethuus (Tienray), schijtvot: schietvot (Tienray), schouwerik: schouwerik (Tienray), schouweschijter: schuw - schouw of schuwen - schouwen?  schouweschieter (Tienray) angstige man of jongen || bangerik || bangerik [schiethoes] [N 07 (1961)] || iemand die altijd bang is [bloodaard, coion, bangerik] [N 85 (1981)] III-1-4
bank van lening lommerd: Van Dale: lommerd, bank van lening, pandjeshuis.  lómmerd (Tienray) de instelling van gemeente of particulieren waar men geld krijgt op onderpand van onroerende goederen [bank van lening, lommerd, pandjeshuis] [N 89 (1982)] III-3-1
barbeel berf: berf (Tienray), Veldeke (aangepast)  berf (Tienray) barbeel (witvis) || Hoe noemt u de barbeel: een zoetwatervis. De buikvinnen staan ver achter de borstvinnen, ter hoogte van de rugvin. Het lichaam is lang en slank en de staartvin is diep ingesneden. De bek heeft geen tanden, wel dikke lippen, waarvan de bovenste lange baard [N 83 (1981)] III-4-2
barensweeën ween: wi-jje (Tienray) Barenswee: periodieke pijnen die voorafgaan aan het baren (poos). [N 84 (1981)] III-2-2
basiliek basiliek (<lat.): baseliek (Tienray) Een basiliek. [N 96A (1989)] III-3-3
bazige vrouw haaibaai: haaibaai (Tienray) een vrouw die over iedereen de baas wil spelen en die overal aanmerkingen op heeft [kanjer, karonje, kastine, element] [N 85 (1981)] III-1-4