e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Ulestraten

Overzicht

Gevonden: 3378
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zondagse kleren `s zondagse kleren: sondigse kleijer (Ulestraten), goede kleren: gooi kleijer (Ulestraten), zondagskleren: zondeskleijer (Ulestraten) De kleren die men s zondags draagt. [DC 62 (1987)] || zondagse kleren [t sondagsdinge] [N 23 (1964)] III-1-3
zondagse schort witte scholk: witte sjolk (Ulestraten) schort, blauw-wit linnen zondagse schort [N 24 (1964)] III-1-3
zonder voor spitten ombuttelen: ombø̜tǝlǝ (Ulestraten), wild buttelen: welt˱ bø̜tǝlǝ (Ulestraten) Manier van spitten waarbij men - anders dan bij het spitten in voren - min of meer in de breedte werkt en iedere spade grond voor zich uit (voor de hand) omlegt. [N 11, 65c; N 11A, 148b; div.] I-1
zool van een schoen zool: zaol (Ulestraten) zool van een schoen [N 24 (1964)] III-1-3
zoolbeslag lap: lap (Ulestraten), speklap: špɛklap (Ulestraten) Stuk leer, rubber of hout dat onder de zool van de klomp wordt aangebracht. [N 24, 71; monogr.] II-12
zoom zoom: zǫwm (Ulestraten) De omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of een kledingstuk. Volgens Het Beste Naaiboek (pag. 290) zijn er drie soorten zomen: de omgeslagen zoom, de valse zoom en de apart aangezette zoom. Zie afb. 38. [N 62, 14a; L 8, 126; Gi 1.IV, 15; MW; S 46; monogr.] II-7
zoon zoon: zoon (Ulestraten, ... ) zoon [SGV (1914)] || zoon; (Hoe wordt de zoon door de ouders aangesproken, als hij niet bij zijn naam wordt genoemd?) [DC 05 (1937)] III-2-2
zuchten zuchten: zöchte (Ulestraten, ... ) zuchten [snokke] [N 10 (1961)] III-1-4
zuigen lemmelen: lemmele (Ulestraten), smetsen: sjmetse (Ulestraten), zuiken: zoeke (Ulestraten, ... ), zōēke (Ulestraten) limonade door een rietje zuigen [DC 35 (1963)] || zuigen [DC 38 (1964)] || zuigen [suuke, snekke] [N 10 (1961)] III-2-3
zuiveren slijmen: šlīmǝ (Ulestraten) Afscheiding blijven geven na het kalven, gezegd van de koe. [N 3A, 58] I-11