| 34221 |
knieband voor een stier of kalf |
knieband:
knēbanjtj (Q014p Urmond)
|
IJzeren, soms houten beugel of ring aangebracht ter hoogte van de knie, meestal met een touw om de horens. Deze knieband wordt bevestigd om de koeien los te kunnen laten lopen en tevens ze in bedwang te kunnen houden. [N 3A, 14c; monogr.]
I-11
|
| 17678 |
knieholte |
hees:
iès (Q014p Urmond)
|
knieholte [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 23369 |
knielbankje |
knielbankje:
kneel bènkske (Q014p Urmond)
|
Het knielbankje van de kerkbank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23372 |
knielkussen |
kussen:
kösse (Q014p Urmond)
|
Het knielkussen op de kerkbank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18874 |
kniezen |
kniezen:
kniezən (Q014p Urmond)
|
een knagend verdriet hebben en zichzelf daarvoor als ongelukkig beklagen [treuren, kniezen] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 17920 |
knijpen |
knijpen:
kniepen (Q014p Urmond),
kniepən (Q014p Urmond, ...
Q014p Urmond)
|
Knellen: stijf drukken zodat daardoor een striem ontstaat (knellen, knijpen, duwen, wringen, klemmen). [N 84 (1981)] || Knijpen: vel of vlees met de vingers samenknijpen; drukken (nijpen, knijpen, pitsen). [N 84 (1981)] || nijpen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 22363 |
knikker |
huif:
huuf (Q014p Urmond),
y(3)̄f (Q014p Urmond, ...
Q014p Urmond)
|
Balletjes van gebakken aarde, steen, marmer of glas [bolbaai, kets, kaaischeut, jibber, klits, ket, til, knipper, knot, marbol, marbel, mölmer, kaster, kasser, huuf, köls, kölster, vrenkel]. [N 88 (1982)] || Kleine stenen of glazen knikker [mullemer, aardezoekertje, artzeiker]. [N 88 (1982)] || knikker [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 22364 |
knikkerkuiltje |
kuiltje:
ky(3)̄lkə (Q014p Urmond)
|
Het holletje in de grond bij t knikkeren [kuil, kuiltje, putje, O, demke]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 22503 |
knikkers laten stuiteren |
stuiken:
stoͅkə (Q014p Urmond)
|
Knikkers laten stuiteren in het knikkerspel [bonken, kletsen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17784 |
knipogen |
een oogje knikken:
n uichskə knikkən (Q014p Urmond)
|
Knipogen: een oog even sluiten en weer openen, als teken van verstandhouding (knipogen, pinken). [N 84 (1981)]
III-1-1
|