| 20381 |
meisje met wie men verloofd is |
aanstaande:
ānstōͅndə (Q014p Urmond),
verloofde:
vərloofdə (Q014p Urmond)
|
Hoe noemt men haar, wanneer men met haar verloofd is? (Hoe noemt men het meisje met wie men verkeering heeft?) [DC 05 (1937)] || verloofde [vrouwelijk] [fem, frul, caprice] [N 87 (1981)]
III-2-2
|
| 34454 |
mekkeren |
bleken:
blē̜kǝ (Q014p Urmond)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van de geit. [N 19, 76b; monogr.]
I-12
|
| 20970 |
melig |
melig:
WBD/WLD
méélig (Q014p Urmond)
|
Te rijp en daardoor droog en korrelig, gezegd van een vrucht (meelachtig, melen, versleten, melig). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 34237 |
melk |
melk:
mē̜lk (Q014p Urmond),
męlǝk (Q014p Urmond),
mɛlǝk (Q014p Urmond)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 33882 |
melk van het paard |
paardsmelk:
pē̜sme̜lǝk (Q014p Urmond)
|
De biest- of paardsmelk bevat ingrediënten die het veulen tegen verscheidene ziekten weerstand geven en die er bovendien voor zorgen dat het darmpek, de taaie, donkere substantie die zich in de darmen van het pasgeboren veulen bevindt (zie het lemma ''de eerste uitwerpselen van het veulen'' (5.7)), verwijderd wordt.' [N 8, 32.6 en 57]
I-9
|
| 34241 |
melk zeven |
zijen:
zii̯ǝn (Q014p Urmond)
|
De melk door een doek, zeef of filter laten vloeien om de melk te zuiveren van onbruikbare of verontreinigende stoffen of bestanddelen. [S 46; Wi 30; monogr.; add. uit N 12, L 324]
I-11
|
| 34095 |
melkaders |
melkaderen:
mɛlkǭrǝ (Q014p Urmond),
mɛlkǭǝrǝ (Q014p Urmond)
|
De aders langs de buik naar de uier. [N 3A, 118a]
I-11
|
| 34246 |
melkafromer |
baar:
bār (Q014p Urmond),
lepel:
lē̜pǝl (Q014p Urmond),
pletsje:
plɛtškǝ (Q014p Urmond)
|
De afromer scheidt de roomlaag van de melk. Dit scheiden kan gebeuren door een grote schuimspaan of een houten lepel te gebruiken. Met een houten latje kan men room tegenhouden, terwijl de ontroomde melk door de tuit van de in schuine stand gehouden plateel of teil vloeit. Men kan de room eenvoudig met een vinger wegdoen of men kan die wegblazen. Moderner is de scheiding van room en melk met een melkmachine of centrifuge. [N 12, 57 en 58; JG 1a, 1b; A 23, 3; monogr.]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbu.ər (Q014p Urmond)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 24808 |
melkdistel |
distel:
WBD/WLD
distel (Q014p Urmond)
|
Melkdistel (sochus oleraceus 20 tot 100 cm groot. De bladeren zijn meestal ingesneden en de stengel omvattend, zacht stekelig getand, dofgroen van kleur. De bloemhoofdjes zijn klein, de bloemen zijn lichtgeel. Bloeitijd van juni tot oktober (zijdistel, [N 92 (1982)]
III-4-3
|