| 18103 |
ringworm |
ringworm:
réénkwərm (Q014p Urmond)
|
Huidziekte in de vorm van een wiel (omloop, Sinte-Katrien, springend vuur, ringelworm). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20792 |
rins |
zuur:
zoer (Q014p Urmond)
|
lichtelijk zuur smakend (rins, zurig) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 21214 |
riool |
riool:
riejool (Q014p Urmond)
|
het stelsel van buizen en kanalen voor het afvoeren v an vuil water [riool, geul, grip] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21200 |
rit |
rit:
rit (Q014p Urmond)
|
de afstand afgelegd te paard, per fiets, per auto of op de schaats (tocht, rit) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 25039 |
ritselen |
ritselen:
ritsələn (Q014p Urmond)
|
een zacht, onregelmatig, schuifelend, ruisend of krakend geluid geven [ritselen, rispelen, snirsen, krimmelen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24317 |
riviergrondel |
geuvie:
WBD/WLD (ö = lang)
gövie (Q014p Urmond)
|
Hoe noemt u de grondel: een zoetwatervisje dat voorkomt in stromend en stilstaand water. Het is langgerekt van vorm en heeft één paar voeldraden aan de bek. Op de rug en flanken is het donker gevlekt en gestippeld met een groene of blauwachtige weerschijn [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 24647 |
robinia |
acacia:
WBD/WLD
kāāziāā (Q014p Urmond)
|
De acacia; heeft 10-35 cm. grote varenachtige bladeren samengesteld uit deelblaadjes van 3-5 cm lengte; in het begin van de zomerdraagt de boom hangende bloemtrossen; de takken wijzen soms naar boven (acacia, asdoorn). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18058 |
rochelen |
rochelen:
raochele (Q014p Urmond),
rochele (Q014p Urmond),
rūchelen (Q014p Urmond)
|
rochelen [SGV (1914)] || rochelen [klieke, kwalsteren, kwaaieren] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
rode wiemeren:
oi in het Fr. mois; mv: -en
roij wiemeren (Q014p Urmond),
wiemer:
WBD/WLD (miem\\r ? - onduidelijk) De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
wiemər (Q014p Urmond),
wiemerten:
wiemerte (Q014p Urmond)
|
[DC 13 (1945)]aalbes [N 82 (1981)], [SGV (1914)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
kroot:
kroat (Q014p Urmond),
slakroot:
slāi̯krǭt (Q014p Urmond),
slākroat (Q014p Urmond)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|