| 33939 |
knevels |
fretters:
vrɛtǝrs (L268p Velden)
|
Beide haakjes aan de bitringen, die aan het hoofdstel worden opgehangen. [N 13, 45]
I-10
|
| 17677 |
knie |
knie:
kni (L268p Velden),
knie (L268p Velden)
|
knie [RND], [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 34221 |
knieband voor een stier of kalf |
hacht:
haxt (L268p Velden),
kniehak:
knihak (L268p Velden)
|
IJzeren, soms houten beugel of ring aangebracht ter hoogte van de knie, meestal met een touw om de horens. Deze knieband wordt bevestigd om de koeien los te kunnen laten lopen en tevens ze in bedwang te kunnen houden. [N 3A, 14c; monogr.]
I-11
|
| 17920 |
knijpen |
nijpen:
nīēpe (L268p Velden)
|
nijpen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 22363 |
knikker |
knikker:
knikker (L268p Velden),
Geen idee
knikkers (L268p Velden),
kuls:
Geen idee
kölse (L268p Velden)
|
knikker [SGV (1914)] || knikkers [SND (2006)]
III-3-2
|
| 22361 |
knikkeren |
knikkeren:
knikkeren (L268p Velden),
kulsen:
niet zeker
kulsen (L268p Velden)
|
Heette het vroeger anders? [N R (1968)] || Over het knikkerspel: het knikkeren. [N R (1968)]
III-3-2
|
| 22364 |
knikkerkuiltje |
putje:
poetje (L268p Velden)
|
Een holletje in de grond, door de kinderen gebruikt bij het knikkeren? [DC 21 (1952)]
III-3-2
|
| 17784 |
knipogen |
oogjes knijpen:
ögskes knīēpe (L268p Velden)
|
knipogen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 25080 |
knoeien, morsen, bevuilen |
slabben:
slabbe (L268p Velden)
|
morsen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19076 |
knoest |
knoest:
Veldens dialekt
knoes (L268p Velden),
noest:
noes (L268p Velden)
|
Een harde, ruwe uitwas aan een boom (knoes, kwar, aast, knoop, inwas, knoest). [N 82 (1981)] || noest [SGV (1914)]
III-1-4, III-4-3
|