| 28525 |
motzwerm |
motzwerm:
motzwɛrǝm (L210p Venray)
|
Volk dat zijn bijenwoning verlaat, omdat het door de wasmot is aangetast. [N 63, 37d]
II-6
|
| 25666 |
mouter |
malter:
maltǝr (L210p Venray)
|
De persoon die het brouwgraan tot mout verwerkt. In de grotere bedrijven ook de persoon die toezicht houdt over het moutpersoneel (Claessen, p. 3. 2). In L 210 en L 294 kent men geen aparte mouter, daar wordt het mouten door de brouwer zelf gedaan. [N 35, 24; monogr.]
II-2
|
| 25665 |
mouterij |
malterij:
maltǝręj (L210p Venray)
|
Het gedeelte van de brouwerij of het bedrijf waar alle bewerkingen van het mouten plaatsvinden. [N 35, 23; monogr.]
II-2
|
| 25707 |
moutmeel |
schrood:
sxrōt (L210p Venray)
|
Het gemalen mout. [N 35, 21; monogr.]
II-2
|
| 25686 |
moutschop |
schoep:
sxup (L210p Venray)
|
De holle, houten schop met een lange steel die wordt gehanteerd om het kiemende graan te keren. In L 210 wordt de schop ook op de eest gebruik. Zie afb. 2. [N 35, 22; N 35, 11; monogr.]
II-2
|
| 25698 |
moutzolder, vooreest |
eest:
ɛs (L210p Venray),
moutzolder:
moutzolder (L210p Venray)
|
De plaats waar de gekiemde gerst door de wind wordt gedroogd. De invullers uit L 210 en Q 95 merken hierbij op dat dit gebeurt op de bovenste eest, terwijl het "eesten" in de onderste eest geschiedt. Volgens Claessen (pag. 2. 8) bestaat de droogoven uit twee of drie ruimten boven elkaar, waarbij de bovenste eest, de vooreest, als (vóór)droogruimte gebruikt wordt omdat daar de temperatuur het laagst is. Ook de zegsman uit Q 99 vermeldt dat het vooreesten op de eerste verdieping gebeurt. In P 180 droogt men de gerst met warme wind. Zie ook de semantische toelichtingen bij de lemmata ''drogen, vooreesten'', ''eesten'' en ''eest''. [N 35, 4; S 8; monogr.]
II-2
|
| 18264 |
mouw |
hazesprong:
hāzǝsproŋ (L210p Venray),
mouw:
mōūw (L210p Venray)
|
Gezwel, met name een vochtophoping, aan de achterzijde van het spronggewricht. Bij een jong paard kan een overvuld kniegewricht wel eens van voorbijgaande aard zijn, maar meestal is het een ernstige aandoening waarbij geen verbetering optreedt. Zie afbeelding 16. [A 48A, 54e; N 8, 32.10, 32.11, 90g, 90h, 90i en 90j; monogr.] || mouw [SGV (1914)]
I-9, III-1-3
|
| 28585 |
mouwen ter bescherming |
mouwtjes:
mø̜wkǝs (L210p Venray)
|
Soort mouwtjes al of niet met handschoen, die sommige imkers als extra bescherming dragen. [N 63, 75b]
II-6
|
| 18325 |
mouwschort |
mouwenscholk:
moowenscholk (L210p Venray),
mōwenscholk (L210p Venray)
|
schort met mouwen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20598 |
muik |
muik:
mojik (L210p Venray),
mojjik (L210p Venray),
mōjek (L210p Venray),
móijik (L210p Venray)
|
Kent u een woord voor een geheime bergplaats voor onrijp fruit? Vroeger legden de kinderen vruchten, vooral appels, die ze onrijp geplukt hadden, op een verborgen plekje in het hooi of stro om zacht te worden. Voorbeelden met woorden voor deze bergplaats [DC 31 (1959)] || meuk [SGV (1914)] || mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|