| 17628 |
keel, strot |
keel:
käl (Q208p Vijlen),
ké:l (Q208p Vijlen),
strot:
sjtroat (Q208p Vijlen)
|
keel (uitwendig) (strot) [DC 01 (1931)] || strot [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 32739 |
keerstrook, wendakker |
voordel:
vø̄ ̝ǝdǝl (Q208p Vijlen),
voorling:
vø̄ ̝(ǝ)leŋ (Q208p Vijlen),
vȳ(ǝ)leŋ (Q208p Vijlen)
|
Een keerstrook of wendakker is de strook grond aan het uiteinde van een akker waar de ploeg gekeerd wordt. Deze strook ligt dwars op de voren van het groot geploegd middendeel. Als men aan het voor- en achtereinde van de akker niet op een belendend perceel of op een (veld)weg kan keren, heeft men twee keerstroken nodig. De keerstrook werd oorspronkelijk onbebouwd gelaten, later werd ook zij geploegd. Een aantal benamingen kunnen ook gebruikt worden voor een strook grond in het algemeen; soms wordt er op gewezen dat men via de keerstrook toegang tot het perceel heeft. De strook is breder dan normaal als zij in de lengterichting aan een afrastering of haag grenst. [N 11, 50a; N 11A, 125b; JG 1a + 1b + 1c; JG 2b + 2c; A 18, 2; A 33, 3 + 4 + 5; L B2, 246; L 34, 47; monogr.]
I-1
|
| 20054 |
keizerskroon |
keizerskroon:
keizerkroon (Q208p Vijlen),
(bij afbeelding 114)
keizerskroon (Q208p Vijlen)
|
Keizerskroon (fritillaria imperialis). De stengel draagt aan zijn top een krans van hangende bloemen, daarboven steekt een kuif van groene bladeren uit. De stengel is onderaan niet - en bovenaan dicht bebladerd; de bloemen zijn geel of oranjerood, bloemde [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 23293 |
kelk |
kelk:
kelk (Q208p Vijlen)
|
De kelk, de misbeker [kelk, kelch, mèskelk?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 19053 |
kennen |
kennen:
kin-ne (Q208p Vijlen),
kinne (Q208p Vijlen)
|
kennen [SGV (1914)] || kennen (geen context) [DC 37 (1964)]
III-1-4
|
| 21283 |
kerel |
kerel:
kee-el (Q208p Vijlen)
|
kerel [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 23214 |
kerk |
kerk:
kir-rek (Q208p Vijlen),
kirk (Q208p Vijlen)
|
De kerk, het kerkgebouw [kèrk, krèk, kirk, kirch]. [N 96A (1989)] || kerk [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 23368 |
kerkbank |
kerkenbank:
kirkebank (Q208p Vijlen)
|
Één zon bank. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23366 |
kerkbanken |
kerkenbanken:
kirkebanke (Q208p Vijlen)
|
De banken in de kerk, de kerkbanken meervoud. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23347 |
kerkdeur |
grote poort:
grōētè powts (Q208p Vijlen)
|
De grote deur, de hoofdingang van de kerk [lijkdeur, kerkdeur, kirchduër]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|