| 23235 |
kerktoren |
klokkentoren:
klokketaon (Q208p Vijlen)
|
De toren van de kerk, waarin zich de klokken bevinden [kèrktaore, -taon, -toer, klokketoren?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23334 |
kerkwaarts |
kerkwaarts:
kirkwerts (Q208p Vijlen)
|
kerkwaarts [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 22662 |
kermismuziek |
kermismuziek:
kirmismoeziek (Q208p Vijlen)
|
De muziek die te horen is op kermissen [spel]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 34077 |
kern |
knots:
knutš (Q208p Vijlen),
merg:
mɛrx (Q208p Vijlen)
|
Uitsteeksel dat komt bloot te liggen, wanneer de koe een hoorn afstoot. [A 4, 15; L 20, 15]
I-11
|
| 33536 |
kern van een pit |
pit:
WLD
pit (Q208p Vijlen)
|
Het binnenste van zaad of pit (kern, kerning, kerel, karring). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 24722 |
kernhout |
kern:
WLD
keën (Q208p Vijlen)
|
Het binnenste van een boom zonder levend weefsel, donker van kleur (kern, kernhout). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33537 |
kers, zoete soorten |
kers:
kiësje (pl) (Q208p Vijlen)
|
I-7
|
| 22668 |
kerstlied |
kerstliedje:
krisliedje (Q208p Vijlen)
|
Een lied dat in de kersttijd veel gezonden wordt [leis, kerstliedje]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 20077 |
kerstroos |
kerstroos:
Kris roes (Q208p Vijlen)
|
Kerstroos (Helleborus niger L.). De kelkbladeren zijn wit of rozerood. De bladeren blijven ¯s winters meestal groen. Het is een Alpenplant en wordt veel gekweekt in tuinen. Bloeitijd in november tot februari. De zwarte wortelstok is vergiftig (winterroos, [N 92 (1982)]
III-2-1
|
| 22560 |
ketelmuziek maken |
huilen:
heule (Q208p Vijlen)
|
Het lawaai dat gemaakt wordt met potten, pannen, ketels etc. en dat bij wijze van volksjustitie gemaakt wordt voor de deur van personen die zich misdragen hebben in de ogen van hun dorpsgenoten [blekalbade, belmarkt]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|