| 25168 |
koud, mistig en somber weer |
donker (weer):
dŏŏnkel weer (Q208p Vijlen),
mottig (weer):
möttich (Q208p Vijlen),
nevelachtig (weer):
nevëlëtich (Q208p Vijlen),
zuur (weer):
zoer (Q208p Vijlen)
|
donker [~ weer] [SGV (1914)] || koud en mistig, gezegd van het weer [muur] [N 81 (1980)] || mist, gezegd van het weer [muur] [N 81 (1980)] || mistig weer [motlucht, moorweer, mokweer] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25109 |
koude noordenwind, bijs |
koude wind:
inne kowwe wink (Q208p Vijlen)
|
koude [een ~ wind] [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 18195 |
kous: algemeen |
hoos:
Die hos is gans rèjet, de sitte ging minderinge in ’t bee (Q208p Vijlen),
haos (Q208p Vijlen),
hoas (Q208p Vijlen),
hòs (Q208p Vijlen),
’t bee van die hos is te kot (Q208p Vijlen)
|
Die kous is helemaal recht, er zitten geen minderingen in het been. [DC 14A (1946)] || Het been van die kous is te kort. [DC 14A (1946)] || Hoe noemt men de kous (de lange beenbedekking van den mensch)? [DC 09 (1940)] || kous [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 19621 |
kouter |
kouter:
kōtǝr (Q208p Vijlen)
|
Het lange smalle mes dat (achter de voorschaar) aan de ploegboom is bevestigd en dat bij het ploegen de voor vertikaal afsnijdt. [N 11, 31.I.c; N 11A, 85b; JG 1a + 1b; A 26, 4a; L 1 a-m; L 28, 40; Lu 4, 4a; S 19; monogr.]
I-1
|
| 26087 |
kozijn |
deurgespan:
dø̜̄rgǝšpan (Q208p Vijlen)
|
Houten of metalen raamwerk, bestaande uit twee stijlen met een boven- en onderdorpel, waarin een deur of raam wordt aangebracht. In Q 113 zijn kozijnen pas kort in gebruik. Voorheen paste men een constructie toe die 'blindraam' of 'rabat' werd genoemd. Daarbij werd in de massief gemetselde muur een opening gelaten waarin later het deur- of raamkozijn werd geplaatst. Het houtwerk van zo'n blindraam werd door middel van de pleisterlaag vastgezet. De kozijnen die tegenwoordig worden gebruikt, zijn dikker dan het kozijn dat bij de blindramen gebruikelijk was. Zij steken aan de binnen- en aan de buitenkant verder naar voren en worden vastgezet met behulp van kozijnankers, die tussen de voegen van de beide spouwmuren worden gemetseld. In verband met deze verankering in het metselwerk wordt het kozijn van tevoren geplaatst (Lochtman, pag. 42). Zie ook het lemma 'Muurraam'. [N 32, 10a-c; N 55, 6a-c; monogr.; div.]
II-9
|
| 34491 |
kraaien, gezegd van de haan |
kraaien:
kriǝnǝ (Q208p Vijlen)
|
[N 19, 49; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 17562 |
kraakbeen |
knoers/knors:
knoe-esj (Q208p Vijlen)
|
kraakbeen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 20146 |
kraamverzorgster |
hebamme (du.):
heffam (Q208p Vijlen),
verpleegster:
verpleegster (Q208p Vijlen),
wijsvrouw:
wiesvrouw (Q208p Vijlen)
|
kraamverpleegster; gediplomeerde verzorgster moeder/kind [DC 12a (1943)]
III-2-2
|
| 24196 |
kraanvogel |
kroenekraan:
kroe-e-ne-kra-ne (Q208p Vijlen)
|
kraanvogel [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 17918 |
krabben |
kratsen:
kratse (Q208p Vijlen)
|
krabben [SGV (1914)]
III-1-2
|