| 33768 |
manen |
manen:
mānǝ (Q208p Vijlen)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 17984 |
mankeren |
mankeren:
mankeere (Q208p Vijlen),
schelen:
sjêle (Q208p Vijlen)
|
mankeren [SGV (1914)] || schelen, mankeren [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17713 |
mannelijk geslachtsorgaan |
gereedschap:
Dikke buik.
gereedschap (Q208p Vijlen),
geschier (<du.):
Dikke buik.
geschier (Q208p Vijlen)
|
mannelijke geslachtsorgaan [gemach, gemaacht] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
stier:
štēr (Q208p Vijlen),
stierkalf:
štēr[kalf] (Q208p Vijlen)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 24369 |
mannelijk ree |
bok:
bòk (Q208p Vijlen)
|
Ree, mannetjesree [N 94 (1983)]
III-4-2
|
| 34393 |
mannelijk schaap |
bok:
bok (Q208p Vijlen),
schaapsbok:
šopsbōk (Q208p Vijlen),
šǫpsbǫk (Q208p Vijlen),
weer:
węi̯ǝr (Q208p Vijlen)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|
| 21918 |
mannelijke duif |
vogel:
voe-e-gel (Q208p Vijlen)
|
Mannetjesduif. [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 24204 |
mannelijke eend |
wenderik:
wɛndǝrek (Q208p Vijlen),
wɛndǝrex (Q208p Vijlen)
|
[GV, K 2; L 1a-m; L 3, 3; L 14, 18; JG 1a, 1b, 2c; S 18; NE II, 55; Vld.; A 6, add.; monogr.]
I-12
|
| 24205 |
mannelijke eend, woerd |
eendvogel:
entvogel (fr. or) (Q208p Vijlen),
wenderik:
wenderig (Q208p Vijlen),
wenderik pielle piele (Q208p Vijlen)
|
woerd: mannelijke eend. Hoe roept men eenden? [GV K (1935)]
III-4-1
|
| 24206 |
mannelijke gans |
ganzenhaan:
gǭzǝhān (Q208p Vijlen),
haan:
hān (Q208p Vijlen)
|
[A 6, 5a; A 6, 5c; S 9; L 1a-m; L 1, 59; L 14, 20; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|