| 21122 |
noten afslaan |
houwen:
WLD
howwe (Q208p Vijlen)
|
Noten afslaan (boeken, beuken slaan, rammelen, sloesteren). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 33559 |
notenboom |
notenboom:
-
naote boom (Q208p Vijlen)
|
okkernoot [DC 17 (1949)]
I-7
|
| 33501 |
notendop |
schaal:
WLD
schaal (Q208p Vijlen)
|
De harde huid van een noot (bast, bolster, sloester, schaal, hulster, boost, bluster, boets, schulp, schelp, snoester). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 21706 |
notulen |
notulen:
notule (Q208p Vijlen)
|
het korte schriftelijke verslag van hetgeen behandeld is in een vergadering [notulen, nouten] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23670 |
noveen |
noveen (<lat.):
noveen (Q208p Vijlen)
|
Een negendaagse godsvruchtoefening, novene, noveen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24903 |
ochtend (vanmorgen |
de tijdsduur van het aanbreken van de dag tot 12 uur s middags [morgend, morgen, voornoen, ochtend]:
murge (Q208p Vijlen)
|
s morgens) [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24947 |
oever |
bach (du.):
ps. niet duidelijk geschreven!
baach (Q208p Vijlen),
kant:
kaant (Q208p Vijlen),
oever:
oo-ver (Q208p Vijlen)
|
oever [DC 02 (1932)], [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 23408 |
offerblok |
offerblok:
offerblok (Q208p Vijlen)
|
Het metalen (vroeger houten) kastje, aangebracht bij de kerkuitgan(en) en/of bij een heiligenbeeld, waarin men geld kan deponeren [godsblik, offerstok, offerblok, offerbus, offerkist?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23639 |
offergang |
offergang:
offergank (Q208p Vijlen)
|
De offerande, het offertorium [offeróng?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23409 |
offergeld |
godshouder:
vroeger stak men de godshalter in het offerblok, dit was een muntstuk dat uitbetaald werd bij de handel van vee bij overeenkomst van de handel. tot het vee betaald werd of afgehaald
godshalter (Q208p Vijlen),
offergeld:
offergeld (Q208p Vijlen)
|
Het geld dat men in het offerblok stopt [offergeld?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|