| 17917 |
omhelzen |
om de hals vallen:
ŏŏm m`n hōs valle (Q208p Vijlen)
|
omhelzen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 17850 |
omhooggaan |
stijgen:
sjtiege (Q208p Vijlen)
|
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 25013 |
omtrek, omvang |
omtrek:
umtrik (Q208p Vijlen)
|
de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm van bepaalt [omtrek, omkant] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25087 |
onbelangrijk |
weinig:
winnig (Q208p Vijlen, ...
Q208p Vijlen)
|
niet veel [luttel, min, schriel, weinig] [N 91 (1982)] || weinig [DC 39 (1965)]
III-4-4
|
| 25149 |
onbewolkt |
hemelsblauw:
himmels blauw (Q208p Vijlen)
|
wolkenloos, zonder wolken, gezegd van de lucht [uitgekeerd, uitgeklaard, klaar] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33450 |
onderdeur |
onderdeur:
ondǝrdø̜̄r (Q208p Vijlen)
|
Het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel is meer voor dagelijks gebruik, bedoeld om toegang te verlenen aan voetgangers en kleine voertuigen (karretjes) en om, in gesloten stand, aan vee de doorgang te beletten. In plaats van een onderdeur kan ook een kleine hekdeur van latten gebruikt worden. Zie ook afbeelding 18.e bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 37c en 42d; monogr.]
I-6
|
| 24637 |
ondereinde van de stam |
eind:
WLD
eet eng (Q208p Vijlen)
|
Het dikke uiteinde van de stam, onderaan (voet, kont, gat, kop). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 21351 |
onderhands |
onderhands:
ŏŏng-nger-hendsj (Q208p Vijlen)
|
onderhandsch [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 18257 |
onderhemd |
hemd:
ee sjoon hemme (Q208p Vijlen),
hem-me (Q208p Vijlen)
|
hemd [SGV (1914)] || schoon [o] [een ~ hemd] [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
hoofdpeluw:
hø̄pəl (Q208p Vijlen)
|
peluw [SGV (1914)]
III-2-1
|