| 32924 |
heukelingen spreiden |
uitereengooien:
ū.tǝrē.gui̯ǝ (Q172p Vroenhoven)
|
Het uiteengooien van de kleinste soort hoopjes, zodat ze verder kunnen drogen. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: heukelingen. ø...ŋ wijst op identieke antwoorden als in het lemma ''zwaden spreiden''.' [N 14, 105; JG 1a, 1b; A 34, 1; monogr.]
I-3
|
| 17645 |
heup |
heup:
heup (Q172p Vroenhoven, ...
Q172p Vroenhoven),
jep (Q172p Vroenhoven)
|
de heup (zijde van het lichaam) [ZND 26 (1937)]
III-1-1
|
| 24912 |
heuvel, kleine hoogte |
hoogte:
wat ĕn hugte (Q172p Vroenhoven),
wat ⁄n hy(3)̄chtə (Q172p Vroenhoven)
|
wat een hoogte! [ZND 27 (1938)]
III-4-4
|
| 17776 |
hiel |
hak:
hak (Q172p Vroenhoven, ...
Q172p Vroenhoven)
|
hoe heet het achterdeel van de voet (fr. talon) [ZND 29 (1938)]
III-1-1
|
| 20329 |
hij aardt naar zijn vader |
hij heeft een haartje van zijn vader:
hèr hèt ’n heurke van zie vaojer (Q172p Vroenhoven)
|
naar zijn vader aarden; hij aardt naar zijn vader [ZND 19 (1936)]
III-2-2
|
| 18012 |
hijgen |
kuimen:
kø̜u̯mǝ (Q172p Vroenhoven)
|
[JG 1a, 1b]
I-11
|
| 22777 |
hinkelblokje |
hinkpan:
heenkpan (Q172p Vroenhoven),
pan:
pan (Q172p Vroenhoven)
|
Hoe heet het stukje hout of steen dat hierbij wordt gebruikt? [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|
| 22774 |
hinkelen |
hinken:
heenke (Q172p Vroenhoven),
həjnke (Q172p Vroenhoven),
/
hinken (Q172p Vroenhoven)
|
hinkstap springen [SND (2006)] || Hoe heet het kinderspel, waarbij op één been gesprongen wordt? [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|
| 22778 |
hinkelperk: vorm |
cirkel:
cirkel (Q172p Vroenhoven),
rechthoek:
rechthoek (Q172p Vroenhoven, ...
Q172p Vroenhoven),
spiraal:
spiraal (Q172p Vroenhoven)
|
Welke vorm heeft het spel dat op de grond wordt getekend? Teken dit op een afzonderlijk blaadje en schrijf de namen van de onderdelen in de vakken. [ZND 27 (1938)]
III-3-2
|
| 17955 |
hinken |
hinken:
hêjnkə (Q172p Vroenhoven),
hompelen:
hoompĕlĕ (Q172p Vroenhoven)
|
Hoe heet: op één been springen (van pijn.) ? [ZND 27 (1938)]
III-1-2
|