19535 |
lemmer |
mets:
mets (Q117a Waubach)
|
snijblad van een mes (lemmer, lemmet) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
17643 |
lende |
lende:
linge (Q117a Waubach)
|
lendenen [lenge, leene, leende] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
25627 |
leng |
leng:
lɛŋ (Q117a Waubach)
|
Leng is een ziekte in het brood veroorzaakt door de "lengbacil". De leng openbaart zich allereerst door een onaangename zoete geur tezamen met een verkleuring en kleverig worden van de kruim van het brood (Schoep blz. 117). Werkt de leng door dan wordt de verkleuring groter, de kruim wordt kleveriger en de geur wordt zeer onaaangenaam. Breekt men het brood door, dan ziet men bruine kleverige draden tussen de afgebroken delen. Het brood is dan niet voor consumptie geschikt. Bij normale omstandigheden van vocht en temperatuur kan de leng-bacil zich niet ontwikkelen. In de zomermaanden is het ontstaan van leng het meest voor de hand liggend. Zo snel mogelijke afkoeling van het brood en het bewaren op een koele luchtige plaats bestrijdt doelmatig het euvel van de leng (Schoep blz. 147). Het lemma bestaat uit verschillende grammaticale categorieën. [N 29, 72; N 29, 68a; monogr.]
II-1
|
17558 |
lenig |
gelenkig (du.):
gelenkig (Q117a Waubach),
zwak:
sjwaak (Q117a Waubach)
|
Gebruikt men bij u een woord als zwak in de zin van lenig, buigzaam? Zo ja, hoe is dan de uitspraak? [DC 43 (1968)] || lenig [zwak, gezwak] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
24895 |
lente, voorjaar |
voorjaar:
⁄t vuurjoar (Q117a Waubach),
vroegjaar:
vrujjoa⁄r (Q117a Waubach),
vrujoar (Q117a Waubach)
|
lente [DC 39 (1965)] || voorjaar, lente
III-4-4
|
18955 |
lepe, doortrapte kerel |
spitsboef:
sjpitsboof (Q117a Waubach)
|
een doortrapte kerel [fijnaard, fijne, leperd] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
19553 |
lepel |
gaperd:
gapert (Q117a Waubach),
lepel:
leapel (Q117a Waubach),
leepel (Q117a Waubach),
lèpel (Q117a Waubach),
schuifstek:
sjuufsjtêk (Q117a Waubach)
|
lepel [DC 35 (1963)] || lepel in het algemeen (lepel, lippel, leeper) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
19556 |
lepelrek |
lepelenrek:
lepelerek (Q117a Waubach)
|
rekje aan de wand waarin lepels worden bewaard [N 20 (zj)]
III-2-1
|
21748 |
leraar |
leraar:
liehraar (Q117a Waubach)
|
een leerkracht aan een instelling voor voortgezet onderwijs [magister, leraar, regent, leer] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
18340 |
leren beenkap |
gamasche:
kemasje (Q117a Waubach)
|
lederen beenkappen [kemasse, kamasje] [N 24 (1964)]
III-1-3
|