e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Zolder

Overzicht

Gevonden: 3499
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zich warm aankleden induffelen: induffelen (Zolder) Zich warm aankleden [(in)duffelen, inpakken, warm aandoen] [N 114 (2002)] III-1-3
zicht pik: pek (Zolder), zicht: zext (Zolder) Korte zeis die met één hand gehanteerd wordt en gebruikt wordt voor het maaien van rogge, tarwe, haver, gerst, enzovoorts. Zie de algemene toelichting bij paragraaf 4.2 over het maaien en afbeelding 5. Op de semasiologische kaart 30 zijn de gebieden met pik in de betekenis "zicht" van kaart 29 en met pik in de betekenis "mathaak" van kaart 33 bijeengezet. [N 18, 70; JG 1a, 1b, 2c; Goossens 1963, krt. 28; A 14, 7; A 23, 16.2; L 45, 7; Gwn 7, 4; div.; monogr.; add. uit N 11, 88; N 14, 131; N 15, 16a; N 18, 71; A 4, 28; A 14, 10; L 20, 28; L 42, 46; L 48, 34; Lu 1, 16.2 ; Lu 2, 34.2; Wi 51] I-4
ziek ziek: ziek (Zolder), zik (Zolder, ... ) ziek [ZND 39 (1942)], [ZND 46 (1946)] || ziek: Daar loopt nu die man, die zn dochter (of: wiens dochter) ziek is geweest [ZND 44 (1946)] III-1-2
zieke zieke: zieke (Zolder) De zieke is vandaag een beetje (een weinig) beter [ZND 44 (1946)] III-1-2
ziekelijk ziekelijk: zikkelijk (Zolder) Ziekelijk: telkens ziek (ziekelijk, krenkelig, sukkelig, ongans). [N 107 (2001)] III-1-2
ziekenhuis gasthuis: gasthoas (Zolder) Ziekenhuis: inrichting voor het verplegen van zieken (ziekenhuis, (ho)spitaal, gasthuis, krankenhuis). [N 107 (2001)] III-1-2
ziekte ziekte: dɛi ziktə zɛit øvər (Zolder) die ziekte is besmettelijk [ZND 32 (1939)] III-1-2
zien, kijken zien: zie (Zolder), zien (Zolder), zîîn (Zolder) Jan heeft een dikke stok op de weg zien liggen. [ZND 46 (1946)] || zien [RND] III-1-1
zijde spek zij: zeͅi (Zolder) zijde spek [Goossens 1b (1960)] III-2-3
zijdelingse druk druk opzij: drøk ǫp˲zęj (Zolder  [(Zolder)]   [Maurits]) Zijdelingse druk op de wanden van een mijngang. [N 95, 386; N 95, 387; N 95, 845; monogr.] II-5