e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q193p plaats=Gronsveld

Overzicht

Gevonden: 4947
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
akkersleep, weidesleep autobanden: ótoban (Gronsveld), karband: kārbā.nt (Gronsveld), repen: rēǝpǝ (Gronsveld), sleep: šlē̜ ̝p, šlē ̞p (Gronsveld), sleep[eg]: šlēǝp˱[eg] (Gronsveld), vil: vęl (Gronsveld) Het toestel of werktuig waarmee men de akker en/of de weide sleept. Behalve de sleeptypen die door de afb. 89 t/m 95 worden voorgesteld, werd ook de omgekeerde eg als sleep gebruikt. Zo nodig verzwaarde men die met graszoden, een zak aarde of iets dergelijks. Vaak werd de sleepeg voorzien van berkenrijs, doorn- of braamtakken of prikkeldraad. Men kon deze tussen de egbalken door vlechten, onder de eg vastbinden of achter aan de eg bevestigen. Zulk een sleep gebruikte men vooral om pas gezaaid spurrie-, klaver-en graszaad slepend in de grond te brengen. Soms werd er ook een tarwe- of een aardappelveld mee bewerkt. De omgekeerde eg kon - al dan niet voorzien van rijshout e.d. - ook als weidesleep dienen, voor het slechten van molshopen, het fijner uitsmeren van verspreide mest en ter bestrijding van mosvorming. Men sleepte de akker of de weide soms ook wel met een grote bos berken- of andere takken, die men van voren bijeenbond of - gespreid - tussen twee balken klemde. Voor het ''sleep''-gedeelte van varianten verderop in het lemma zie men het simplex sleep aan het begin. In het lemma ''eg'' vindt men de waarde van het woord(deel ''eg'' resp. ''eg'' verklaard. [JG 1a+ 1b+ 1c+ 1d; N 11, 85; N 11A, 179 + 181b + c; N 14, 81; N 18, 22; N 27, 1a add.; N J, 10; N P, 17 + 18; N Q, 17; A 13, 16b; A 40, 10a + b; div.; monogr.] I-2
al dansend draaien dokken: dogke (Gronsveld), kokkerellen: kokkerelle (Gronsveld) Al dansende draaien, gezegd van een tol [schrankelen, hekelen, denderen, leuteren]. [N 88 (1982)] III-3-2
alle kegels in één keer omverwerpen alle negen: alle nuüge (Gronsveld) Term bij het kegelspel: alle negen kegels zijn omgegooid. III-3-2
alle kegels samen kegelspel: keigelsjpuul (Gronsveld) Alle kegels bij elkaar [bos]. [N 88 (1982)] III-3-2
alleenstaande boom blijver: bliéver (Gronsveld) boom die blijft staan III-4-3
allerheiligen allerheiligen: allerheilige (Gronsveld), Allerhèllige (Gronsveld) Allerheiligen. [N 06 (1960)] III-3-3
allerzielen allerzielen: allerziele (Gronsveld), Allerziele (Gronsveld) Allerzielen. [N 06 (1960)] III-3-3
alles kwijt bodde: bodde (Gronsveld), maas: maas (Gronsveld), In: Ich been maas.  maas (Gronsveld) Alles bij het spel verloren hebben [keps, kaps, baard, dod, pret, bluts, rits, rutsel, rut, rus, molk, mol, mot]. [N 88 (1982)] || Blut. III-3-2
alpinomuts alpinomutsje (<it.): alpinomötske (Gronsveld) alpinomutsje III-1-3
alver abel: ’abel (Gronsveld) alvertje (vis) III-4-2