e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=P213p plaats=Niel-bij-St.-Truiden

Overzicht

Gevonden: 1032
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
dartsblok pikblok: pegbloͅk (Niel-bij-St.-Truiden) Pikblok: Vogelpikbord. III-3-2
dartspijltje pik: pek (Niel-bij-St.-Truiden) Pik: 2. Werppijltje om vogelpik te spelen. III-3-2
das, sjaal neusdoek: nøͅizduk (Niel-bij-St.-Truiden), sjerp: šeͅrəp (Niel-bij-St.-Truiden) hoofddoek, halsdoek || sjaal III-1-3
dauw dauw: ps. letterlijk omgespeld! (of: dØuw?).  dōu̯w (Niel-bij-St.-Truiden), rijm: ruim  røͅəm (Niel-bij-St.-Truiden) dauw || dauw die s morgens over de velden hangt [doom, domp, mok] [N 22 (1963)] III-4-4
de baas spelen domineren: dòmənééjrə (Niel-bij-St.-Truiden), verneuken: vərnéújkə (Niel-bij-St.-Truiden) de baas spelen over; vernederen, kleineren || overheersen; van iemand zijn dienaar maken III-1-4
de kaarten couperen heffen: De gever moet laten heffen.  (h)èfə (Niel-bij-St.-Truiden) Heffen: (Kaartspel) Afheffen. III-3-2
de kaarten schudden ondersteken: Ge moet de kaarten goed ondersteken.  òndərstèəkə (Niel-bij-St.-Truiden) **Ondersteken: (Kaartsp.) Schudden. III-3-2
de kaarten steken steken: Sub steken, (**8).  de kaarten steken (Niel-bij-St.-Truiden) Onopgemerkt te zijnen voordele wassen. III-3-2
dekken dekken: dɛkə (Niel-bij-St.-Truiden) dekken III-4-2
den den: deͅn (Niel-bij-St.-Truiden) denneboom III-4-3