e-WLD begrippen 

 
 
Filteren...

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zware bui sla-regen: slajrègə (Opglabbeek) nu eens regenen, dan weer helder zijn, gezegd van het weer [N 81 (1980)] III-4-4
zware bui, plensbui harde regen: hardde rêgen (Arcen) hard regenen, het regent hard [DC 30 (1958)] III-4-4
zware hamer dikke hamer: dekǝ hamǝr (Heerlerheide  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]), dekǝ hāmǝr (Genk  [(Winterslag / Waterschei)]  , ... [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]  [Winterslag, Waterschei]), hamel: hā.mǝl (Zolder  [(Zolder)]   [Domaniale]), hamer: hamǝr (Heerlen  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Zolder]), meesterhouwer: męjstǝrhø̜jǝr (Geleen  [(Maurits)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]), moker: moker (Bleijerheide  [(Domaniale)]  , ... [Maurits]  [Domaniale]), mottek: motǝk (Spekholzerheide  [(Willem-Sophia)]   [Eisden]), mǫ.tę.k (Eys  [(Oranje-Nassau I / III / IV)]   [Willem-Sophia]), zware hamer: zware hamer (Lanklaar  [(Eisden)]   [Maurits]), zwǭrǝ hāmǝr (Geleen  [(Maurits)]  , ... [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]  [Zwartberg, Waterschei]  [Maurits]  [Maurits]), zwǭrǝn hāmǝr (As  [(Zwartberg / Waterschei)]   [Maurits]), šwoarǝ hāmǝr (Nieuwenhagen  [(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]   [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau II, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]), šworǝ hamǝr (Chevremont  [(Julia)]   [Laura, Julia]), šwoǝrǝ hamǝr (Bleijerheide  [(Domaniale)]  , ... [Emma]  [Domaniale]  [Domaniale, Wilhelmina]), šwōr hamǝr (Waubach  [(Laura / Julia)]   [Eisden]), šwōrǝn hāmǝr (Buchten  [(Maurits)]  , ... [Maurits]  [Oranje-Nassau I, Oranje-Nassau III, Oranje-Nassau IV]), šwūǝrǝ hāmǝr (Kelmis), šwǫǝrǝ hamǝr (Heerlen  [(Emma)]   [Willem-Sophia]), šwǭrǝ hamǝr (Spekholzerheide  [(Willem-Sophia)]   [Julia]), šwǭrǝ hāmǝr (Heerlen  [(Oranje-Nassau I-IV)]   [Maurits]), žw ̇ǫarǝ h ̇amǝr (Eys  [(Oranje-Nassau I / III / IV)]   [Maurits]), žwoare hāmǝr (Lutterade  [(Maurits)]   [Oranje-Nassau II, Emma, Hendrik]), žwoarǝ hamǝr (Brunssum  [(Emma / Hendrik / Wilhelmina)]  , ... [Domaniale]  [Emma, Hendrik, Wilhelmina]), žwoǝrǝ hamǝr (Bleijerheide  [(Domaniale)]   [Laura, Julia]) Voorhamer, grote moker. Het woordtype "mottek" (Q 121b, Q 202) is een verbastering van het Poolse mtottek. De term "meesterhouwer" (Q 21) was op de mijn Maurits een spottende benaming voor een zware hamer. [N 95, 739; monogr.] || Zware, ijzeren hamer van verschillend soort, bijvoorbeeld de hamer waarmee men grote ertsbrokken die men niet kon scheppen, kleinmaakte. Zie afb. 43. [monogr.] II-4, II-5
zware put zware put: zwǭr pøt (Meterik) Een put waarvan men de turf het hoge op moet kruien. [II, add.] II-4
zware verkoudheid felle kou: nə fēͅlə kā ēͅn zənə koͅp (Hasselt), nə fələ kā (Diepenbeek), flinke kou: ein flinke kaw (Geleen), lelijke klets: løləkə klɛts (Zonhoven), zo rot als een mispel zijn: ik bin zoe rot aas n mispel (Hegelsom), zwaar in de kop zijn: ich bün zwaor in de kop (Linne), zware kou: ein zjwoir kaw (Meerssen), zwaor kau (Mechelen-aan-de-Maas), zwaor kooj (Echt/Gebroek), zwaor kou (Mechelen-aan-de-Maas), zware kou (Gulpen), zwoer kaw (Maastricht), zwoer kou (Stokkem), zwoer kouw (Gulpen), zwōͅərə kō (Hechtel), ’n zjwaor kaw (Geleen), ’n zwoer kaw (Maastricht), zware koude: ein zwaore kält (Blerick), zware verkoudheid: ein shwaor verkoadheit (Linne), zware verkoudigheid: zware verkaddingheit (Panningen), zwuər vərka:tichhɛt (Helchteren) Griep. Hoe noemt men tegenwoordig een zware verkoudheid met koorts? [DC 30 (1958)] || Hoe noemt men tegenwoordig een zware verkoudheid met koorts ? (Deze ziekte, die nu vrijwel overal griep wordt genoemd, heette vroeger ook wel influenza) [ZND 49 (1958)] || Wat zei men vroeger tegen een griep ? Wilt u de uitspraak in uw dialect zo nauwkeurig mogelijk weergeven ? [ZND 49 (1958)] || Zware verkoudheid. Gebruikt men afzonderlijke benamingen voor een zware en lichte verkoudheid [DC 27 (1955)] III-1-2
zware, harde turf klot: klot (Ospel) [II, 16h] II-4
zwart pak bruidspak: broedspak (Echt/Gebroek, ... ), ceremoniekleding: cermoniekleding (Opglabbeek), ceremoniekostuum: ceremoniekostuum (Neerpelt), serémoniekostum (Mal), serəmonīkəstym (Schulen), seͅrmoͅneͅ⁄kəsty(3)m (Borgloon), sirrəmənīēkəstum (Bilzen), sirrəmənykəstim (As), sørəmonikəstym (Zolder), sərəmōͅnikəstym (Mechelen-aan-de-Maas), sɛrəmōͅnīkəsty(3)̄m (Wintershoven), colbert (fr.): koͅlbēr (Rotem), colbertpak (<fr.): kolberpak (Brunssum), driedelig pak: 3delig pak (Oirlo), fantasie: [Fr. uitspr.]  fautəzi (Achel), fōͅtəzi (Zichen-Zussen-Bolder), fantasiekostuum: fa.ntəzikəstym (Stokkem), fantasiekostuum (Eisden), fantaziejkestum (Neeroeteren), fantəzikəstym (Hoeselt), fantəzīkəstym (Riksingen), fan’əzikəstøm (Kwaadmechelen), [Fr. uitspr.]  fōͅtəzikəstym (Val-Meer), fantasiepak: fantasie pak (Herten (bij Roermond), ... ), fantasiepak (Borgharen, ... ), fantazīpak (Tongeren), fantesie-pak (Roermond), fanteziepak (Einighausen, ... ), gekleed kostuum: gekleit kostuum (Susteren), geklejd kesjtuum (Eijsden), gekleed pak: gekleid pak (Belfeld, ... ), gekleitj pak (Grathem), geklejd pak (Neeritter), gelegenheidsmontuur (<fr.): ⁄n gelegenheidsmentoeer (Klimmen), goed pak met korte jas: good pak met korte jas (Tegelen), herenkostuum: heirecostuum (Born), hirəkoͅstöm (Herk-de-Stad), in het zwart: ient zwart (Bergen), jas met een gestreepte boks: eine jas mit ein gestreepte boks (Maasbracht), jas met fantasieboks: jas mit fantazieboeksj (Schinveld), jodensmoking: joede-smoking (Maastricht), kostuum: kəstym (Hamont, ... ), pak met de fantasiebroek: pak met de fantasiebrook (Stein), pak met fantasiebroek: pak met fantazie brook (Noorbeek), redingote (fr.): [Van Dale: redingote, (Fr., verbasterd uit riding coat), &lt;vero.&gt; geklede jas met twee rijen knopen]  redəngoͅt (Bree), redingotekostuum (<fr.): [Van Dale: redingote, (Fr., verbasterd uit riding coat), &lt;vero.&gt; geklede jas met twee rijen knopen]  riddingotkestuum (Sittard), rouwkostuum: rowkostum (Borgloon), smoking: schmoking (Valkenburg), smokeŋ (Eigenbilzen), smoking (Horpmaal, ... ), smooking (Bilzen, ... ), smōkiŋ (Tongeren), smōͅkiŋ (Tongeren, ... ), smoͅkeŋ (Teuven), smoͅukəŋ (Halen), soire (fr.): swarē (Beringen), strepen pak: Van Dale: II. strepen (bn.), &lt;gew.&gt; van gestreepte stof: een strepen rok.  striefepak (Bocholtz), tenue (fr.): tenue (Tessenderlo), trouwkostuum: truiwkisteujm (Bree), trouwpak: trouwpak (Bemelen, ... ), trōͅwpak (Meijel), zondagspak: zondagspak (Ottersum), zwart: zjwart colbert-kesjtuum (Tegelen, ... ), zwart kostuum: zwart kostuum (Mechelen), zwat kostym, meyt ənə roͅk, [ə kaməzōͅl ĕn ən [gəštribdə boks (Montzen), zwat kəstym (Millen), zwārt kəstem (Neeroeteren), zweͅt kəstəm (Linkhout, ... ), zwàt kəstum (Bilzen), zwart kostuum en strepen broek: Van Dale: II. strepen (bn.), &lt;gew.&gt; van gestreepte stof: een strepen rok.  zwart kostuum en striepe brook (s-Gravenvoeren), zwart pak: het zjwart pak (Ulestraten), schwartspak (Bocholtz), schwat pak (Nieuwenhagen), sjwart pak (Holtum, ... ), sjwartpak (Maasniel), sjwat pak (Hoensbroek), zjart pak (Eijsden), zjwart pak (Baarlo, ... ), zwart pak (Amstenrade, ... ), zwarte pak (Middelaar), zwartpak (Boekend), zwert pak (Boeket/Heisterstraat), zwèrt pak (Weert), zwart pak  zjwart pak (Meerssen), zwart pak en strepen broek: Van Dale: II. strepen (bn.), &lt;gew.&gt; van gestreepte stof: een strepen rok.  sjwart pak en striepe broek (Nuth/Aalbeek), zwart pak met fantasieboks: zwart pak met fantasie boks (Venlo), zwart pak met strepen broek: Van Dale: II. strepen (bn.), &lt;gew.&gt; van gestreepte stof: een strepen rok.  zwart pak mit sjtriepe brook (Geleen), zwart pakje: zwart pekske (Tungelroy), zwarte anzug (du.): sjwatse antsoch, kotte rok, wes en jestriepde box (Bleijerheide), zwarte jas: sjwatte jas (Waubach), zwarte jas met fantasiebroek: zwa.rtə ja.s meͅt fantazibrōk (Lanklaar), zwatə jas meͅt fantazibrōk (Lanaken), zwarte montuur (<fr.): de zwjarte montoor (Klimmen), schwarte mantoer (Brunssum), zwarte mentoer (Mechelen) gekleed kostuum || jacquetkostuum, bestaande uit zwarte slipjas, vest en gestreepte broek [sjeket, seket] [N 23 (1964)] || pak, zwart ~, bestaande uit korte jas, vest en gestreepte broek [N 23 (1964)], [N 23 (1964)] || zwarte pak, bestaande uit korte jas, vest en gestreepte broek [N 59 (1973)] III-1-3
zwart- of blauwveen kluit: klyǝt (Ospel), ondergrond: ondergrond (Griendtsveen), scherpe turf: scherpe turf (Ospel), zwarte: zwartǝ (Venray), zwɛrtǝ (Ospel), zwarte turf: zwartǝn tørǝf (Meterik, ... ) Veen dat bestaat uit meer of minder sterk vergane plantenresten van alle veenformaties, de voedselrijke, de matig voedselrijke en de voedselarme venen. De turf hieruit behoort tot de best brandbare. [I, 2c] II-4
zwartbonte koe bonte koe: buntǝ [koe] (Rotem), bønjtǝ [koe] (Susteren), bǫntǝ [koe] (Maaseik, ... ), friese koe: frisǝ ku (Blerick), herfse: hɛ̄rfsǝ (Tongeren), herfse koe: hęrfsǝ [koe] (Zichen-Zussen-Bolder), hollandse: hǫlantsǝ (Paal, ... ), moor: mūu̯r (Stokkem), roodblaar: rūǝtblǭr (Tegelen), witzwarte: wetzwatǝn (Hoeselt), zwart geplekkerde: zwat ˲gǝplękǝrdǝ (Niel-Bij-Sint-Truiden, ... ), zwart geplekte: zwat gǝplęktǝ (Velm), zwart hollands (bijvgl. nmw.): šwart hǫlants (Heerlerheide), zwartbont (bijvgl. nmw.): zwartbōnt (Milsbeek), zwartbōntj (Haelen), zwartbōŋt (Oost-Maarland), zwartbǫnt (Geulle, ... ), zwartbǫntj (Montfort), zwartbǫŋk (Sevenum), zwartbǭnt (Maasmechelen), zwęrtbont (Lommel), zwęrtbōnt (Hamont), zwɛrtbǫnt (Weert), šwartbǫntj (Sittard), šwatbǫnt (Epen), šwatsbǫŋk (Eygelshoven), šwɛrtbǫnt (Heugem), žwartboŋkt (Tegelen), žwartbǫntj (Swalmen), zwartbonte: swartbǫnjtǝ (Brunssum), zwartbuntǝ (Rotem), zwartbǫntjǝ (Ell, ... ), zwartbǫntǝ (Bocholt, ... ), zwartbǫŋktǝ (Baarlo, ... ), zwartbǭntǝ (Lanklaar, ... ), zwartjbǫntjǝ (Maasbracht), zwart˱bōntǝ (Smeermaas), zwatbǫntǝ (Wellen), šwartbōntǝ (Mechelen), šwartbǫntjǝ (Oirsbeek), šwatbōntǝ (Welten), šwatsbǫntǝ (Bocholtz), žwartbōntǝ (Gronsveld, ... ), žwartbǫntjǝ (Herten, ... ), žwartbǫntǝ (Eisden, ... ), žwartbǫŋktǝ (Panningen), zwartbonte koe: zwartbontjǝ [koe] (Roosteren), zwartbontǝ [koe] (Blerick, ... ), zwartbōntjǝ [koe] (Tungelroy), zwartbōntǝ [koe] (Gennep, ... ), zwartbǫnjtǝ [koe] (Geistingen), zwartbǫntjǝ [koe] (Maasniel), zwartbǫntǝ [koe] (Achel, ... ), zwart˱bǫntǝ [koe] (Gelieren Bret), zwɛrtbōntǝ [koe] (Boshoven), šwartbontjǝ [koe] (Roermond), žwartboŋtǝ [koe] (Tegelen), žwartbǫntjǝ [koe] (Einighausen), žwartbǫŋtǝ [koe] (Oost-Maarland), žwat˱bōntǝ [koe] (Teuven), zwarte: zwartǝ (Boekend, ... ), zwatǝ (Beverst, ... ), zwętǝ (Beringen, ... ), zwɛtǝ (Meldert), zwarte koe: zwartǝ [koe] (Holtum), zwatǝ [koe] (Borgloon, ... ), zwętǝ [koe] (Beringen, ... ), zwɛtǝ [koe] (Leopoldsburg), šwatǝ [koe] (Waubach), žwartǝ [koe] (Baarlo), zwartwitte: zwatwetǝ (Rummen, ... ) Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 126] I-11
zwartbonte koe met scherp gescheiden witte en zwarte banen bonte: bǫntǝ (Holtum), bonte hollander: bǫntǝ hǫlɛnjǝr (Eisden), brabander: brǫbęndǝr (Hoeselt), gebastaardeerde: gǝbastǝrdērdǝ (Paal), geplekte: gǝplɛgdǝ (Beringen, ... ), gǝplɛktǝ (Meldert), geplekte koe: gǝplęktǝ ku (Beverst), gestipte: gǝštīǝptǝ (Mechelen), gestreepte: gǝstrep˱tǝ (Wellen), gǝstrēp˱tǝ (Neeritter), gǝštribdǝ (Teuven), gǝštrēp˱tǝ (Swalmen), gevlamde koe: gǝvlamdǝ ku (Melick), herfse: hɛrfsǝ (Zepperen), herfse koe: ęrǝfsǝ kō (Meeswijk), hollands ras: hǫlants ras (Oud-Waterschei), hoppele koe: hǫpǝlǝ kǫi̯ (Beringen), lakenvelder: lākǝnvɛldǝr (Bocholtz, ... ), lākǝvɛldǝr (Blerick, ... ), lǭkǝvɛldǝr (Oost-Maarland), lakenveldse: lākǝnvɛltsǝ (Brunssum), lakevelder koe: lākǝvęldǝr kø̜ (Rapertingen), lakevelderse: lākǝvɛldǝrsǝ (Grathem), lakevelderse koe: lākǝvęldǝrsǝ kō (Lanklaar), lakeveldse koe: lākǝvɛltsǝ ku (Roermond), wit en zwarte: wet ɛn zwatǝ (Hoepertingen), wit en zwarte koe: wet ęn zwatǝ kā (Sint-Truiden), witstrank: wetstraŋk (Borgloon), witzwarte: wetswatǝ (Hasselt), wetzwatǝ (Lummen), zwart gestreepte: zwat˱ gǝstrɛp˲tǝ (Opheers), zwartbonte: zwartbōntǝ (Bocholt, ... ), zwartbǫntǝ (Kaulille), zwart˱bōntǝ (Smeermaas), zwartbonte koe: zwatbǫntǝ kø̜u̯ (Rosmeer), zwarte: zwartǝ (Opglabbeek), zwętǝ (Halen), zwartgeplekte: zwatgǝplaktǝ (Donk), zwat˱gǝplęxtǝ (Lummen), zwarthoppel: zwęthǫpǝl (Linkhout), zwartwitte: zwatwitǝ (Mal) [N 3A, 127] I-11