e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gorsem

Overzicht

Gevonden: 349

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
beteuterd voor de kop gelopen: hij was vaor den kop geloepen (Gorsem), ook materiaal znd 32, 67  vaor den kop geloepen (Gorsem) beteuterd, onthutst [ZND 01 (1922)] || hij stond beteuterd, onthutst [ZND 32 (1939)] III-1-4
betrappen pakken: pakken (Gorsem) betrappen [ZND 32 (1939)] III-3-1
betten van een wonde baden: bijen (Gorsem) een wonde met warm water baden [ZND 32 (1939)] III-1-2
beurs, overrijp te rijp: te rijp (Gorsem) overrijp, murw [ZND 31 (1939)] III-2-3
bewolkte lucht bewolkte lucht: bewolkte locht (Gorsem), ne bewolkte locht (Gorsem) bewolkt [ZND 32 (1939)] III-4-4
biestmelk biestmelk: bestmɛlk (Gorsem) De eerste melk van de koe, nadat ze gekalfd heeft. [L 32, 100; JG 1a, 1b; S 3; A 7, 18; monogr.] I-11
bietenveld groenland: grȳnlant (Gorsem) Met bieten of rapen bezaaid stuk land. [L 41, 2; monogr.] I-5
bit gebit: gǝbęt (Gorsem) IJzeren mondstuk aan het hoofdstel dat men een paard in de mond, boven de onderkaak legt, en waaraan de teugels bevestigd zijn. De meeste bitten bestaan uit een rechte stang, sommige hebben een beugel in het midden om te voorkomen dat het paard zijn tong op de stang legt. Voor enkele plaatsen (L 270, Q 75, 94, 169, 174 en179) wordt gemeld dat de opgegeven term ook ter aanduiding van het wolfsgebit gebruikt wordt. [JG 1a, 1b, 2b; N 13, 19, 38b, 41; L 35, 45b; monogr.] I-10
blaar blaar: blaar (Gorsem, ... ) een blaar (wanneer men zich heeft verbrandt) [ZND 32 (1939)] || een blaar in de handen door het vasthouden van een werktuig, bv. een hamer [ZND 32 (1939)] || een blaar onder de voeten, door het gaan veroorzaakt [ZND 32 (1939)] III-1-2
blad, bladeren van een plant blader: blǭǝr (Gorsem) Blad, als deel van een plant. De meervouden en verkleinwoorden zijn apart behandeld. [JG 1a, 1b; A 3, 1; L 1, a-m; L 4, 1; L 14, 16; L 32, 21; S 3; R 7, 25; R 12, 26; monogr.] I-4