e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Gorsem

Overzicht

Gevonden: 349

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
blaren ophikkelen: hekǝlt˱ ǫp (Gorsem) Het verschijnsel waarbij een verflaag plaatselijk van de ondergrond loslaat en er zwellingen ontstaan. Het blaren kan verschillende oorzaken hebben. De voornaamste zijn: vocht in het geschilderde materiaal en slechte hechting van de verflaag aan het materiaal. [L 32, 78; monogr.] II-9
blauwe reiger, reiger reiger: regel (Gorsem) reiger [ZND 41 (1943)] III-4-1
bloeien bloeien: (-) bluit (Gorsem), blø̜̄i̯ǝ (Gorsem) De algemene uitdrukking voor het in bloei staan of bloesem dragen van planten en gewassen. In het materiaal-JG is uitdrukkelijk opgegeven dat het om het bloeien van koren gaat. In dit lemma worden de werkwoorden bijeengezet; in het volgende lemma komen de zelfstandige naamwoorden aan bod. [JG 1a, 1b; L A2, 373; L 32, 77, R 1, 37; monogr.] || in bloei staan [ZND 32 (1939)] I-4, III-4-3
bloemknop bloembot: bloembot (Gorsem, ... ) bot, knop [ZND 34 (1940)] || knop [ZND 34 (1940)] III-4-3
bolster van de okkernoot sloester: slaoster (Gorsem) bolster (van) [ZND 33 (1940)] I-7
bolster van een noot sloester: slaoster (Gorsem) bolster (van) [ZND 33 (1940)] III-2-3
boog boog: boog (Gorsem) Hoe heet een boog dien de kinderen maken van een buigbaren stok en een koord? [ZND 32 (1939)] III-3-2
boomwagen nuts: nøts (Gorsem) Een kar die bestaat uit twee grote wielen, een as en een lange dissel. Deze kar wordt gebruikt om bomen en andere lange, zware voorwerpen te vervoeren, die men onder de as met een ketting bevestigt. De as tussen de wielen is niet recht, maar als een halve cirkel naar boven gebogen. De boomstam wordt boven in de halve cirkel opgehangen. De boomwagen wordt meestal door twee paarden.getrokken. In het grootste deel van Belgisch Limburg gebruikt men voor de boomwagen een benaming die tot het woordtype huurst kan worden herkend (zie Verstegen 1940). Omdat dit type zoveel vervormingen kende, is het hieronder opgesplitst in drie ondertypes (huts, uts, nuts). [N 17, 6 + 15b; N G, 51; N 50, 12b; JG 1d; L 1a-m; L 14, 20; L 32, 83; monogr.] I-13
bot bot: boͅt (Gorsem) bot (niet scherp) [ZND 32 (1939)] III-2-1
boterham boterham: verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9  botterham (Gorsem), snee: verzamelfiche, ook mat. van ZND 3 vraag 9  snee (Gorsem) boterham [ZND 32 (1939)] || Zijn er andere namen van een boterham, die als platter beschouwd worden? [ZND 32 (1939)] III-2-3