| 24249 |
spreeuw |
spreeuw:
spreef (L417p As),
sprieëf (L417p As),
spriêf (L417p As)
|
spreeuw [Willems (1885)], [ZND 07 (1924)]
III-4-1
|
| 21352 |
spreken, praten |
spreken:
hè kan vlaams (spreken) (L417p As)
|
Hij kan Vlaams (Diets, Duuts) praten. [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|
| 24994 |
sprenkelen |
sprenkelen:
sprénkele (L417p As)
|
druppelsgewijze uitstrooien, uitgieten [spuiten, sprenkelen, sprengen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17818 |
springen |
springen:
sprəngen (L417p As)
|
springen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 27839 |
springstof |
poeder:
pujǝr (L417p As
[(Zwartberg / Waterschei)]
[Zwartberg])
|
Ontplofbare stof die wordt gebruikt voor het schieten. De springstoffen worden verdeeld in drie klassen: dynamiet, brisante springstoffen en S.G.P. springstoffen (Defoin pag. 138). Zie ook de semantische toelichting bij het lemma Veiligheidsspringstof. Wat betreft het woordtype "poeder", deze term was oorspronkelijk van toepassing op springstof die niet in patronen verpakt werd. Deze wordt nu haast niet meer gebruikt maar de benaming is blijven bestaan voor springstof in het algemeen. [N 95, 419; N 95, 420; monogr.; Vwo 609]
II-5
|
| 24609 |
springzaad |
balsemien:
WBD/WLD
bàlsəmĭĕn (L417p As)
|
Balsemien (impatiëns balsemina). De bovenste bladeren niet in kransen om de stengel. De stengel groeit rechtopstaand, meestal weinig vertakt en ongeveer 1/2 m hoog of lager. De bloemen zijn rood, wit of gevlekt, haast altijd …gevuld", alleenstaand of in g [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 24382 |
sprinkhaan |
sprinkhaan:
spraenkhân (L417p As)
|
sprinkhaan [Willems (1885)]
III-4-2
|
| 17915 |
sprokkelen |
(hout) rapen:
hòut rape (L417p As),
hout trekken:
#NAME?
(hòut trekke) (L417p As)
|
Sprokkelen: gevallen, dor hout zoeken (sprokkelen, stekkeren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21545 |
sprookje |
sprookje:
sprōēkske (L417p As),
vertelseltje:
vertélselke (L417p As)
|
een kindervertelsel [spruik] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 24516 |
spruiten, uitbotten |
spruiten:
sprûte (L417p As),
struiken:
strûke (L417p As),
uitlopen:
WBD/WLD ó even gesloten als oo
ówtlòwpe (L417p As)
|
schieten, scheuten krijgen || spruiten, uitschieten || Uitlopers krijgen, loten vormen, gezegd van planten, bomen (spruiten, uitbotten). [N 82 (1981)]
III-4-3
|