| 18727 |
scheerapparaat |
scheermachine:
Spelling: <`> = sjwa.
sjaerm`sjien (L317p Bocholt)
|
Een electrisch scheerapparaat [scheermachine, scheerder] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 18402 |
scheermes |
scheermes:
Spelling: <`> = sjwa.
sjaermes (L317p Bocholt)
|
Een scheermesje. Een mes waarmee men de baardharen afscheert [scheermes, schars, schors] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 34587 |
schei |
schei:
š˙ęi̯ (L317p Bocholt),
scheien:
šęi̯.ǝ (L317p Bocholt)
|
Elk van de houten balkjes die de berries verbinden en scheiden en zo de berries evenwijdig houden. Deze balkjes worden door openingen in de berries gestoken en door middel van spieën stevig vastgezet. Het aantal scheien van een kar is afhankelijk van de lengte van de berries. Een hoogkar heeft bijgevolg meer scheien dan een stortkar. [N 17, 24 + 40; N 8, 106; N G, 56e + 58a; JG 1a, JG 1b; monogr]
I-13
|
| 34635 |
scheienkruiwagen |
scheienkar:
šęi̯ǝkar (L317p Bocholt),
scheienkruikar:
šęi̯ǝkrukǝr (L317p Bocholt)
|
De scheienkruiwagen is volgens Theuwissen (1969), pag. 71 een typisch Limburgs kruiwagentype. "Het bodemvlak bestaat uit een aantal dwarslatten, meestal zes, zonder bedekking met planken. Het hoofdbord heeft vijf of zes scheien tussen de bovenrand en de achterste dwarslat van de bodem; ook het hoofdbord heeft geen planken bedekking." Men treft dit type aan in het noorden van Belgisch Limburg en het Maasland. [N G, 51 + 52f; N 18, 97a-b; L 16, 19b; A 42, 15; monogr.]
I-13
|
| 19070 |
schelden, schimpen |
schampen:
sjampe (L317p Bocholt),
schelden:
Samenst. sjelmechtig, sjelmeri-j
sjelle (L317p Bocholt),
sjamfoeteren:
fr. Jean foutre
sjamfoetere (L317p Bocholt)
|
opspelen, uitschelden || schelden, uitschieten in || schimpen
III-1-4
|
| 33440 |
schelftakkenbossen, schelfhorden |
mutserden:
mø̜tǝrtǝ, mø̜tǝrdǝ (L317p Bocholt),
rijzer:
rīzǝr (L317p Bocholt)
|
Boven op de beide balkenlagen van de schelf worden ter vorming van de zoldering (ter afdichting) takkenbossen gespreid. Het gebruik van takkenbossen is bij lange na niet algemeen. Een aantal benamingen die op de gebruikte takjes of roeden duiden, kunnen ook in gebruik zijn voor de schelfhorden als deze van takjes of roeden gevlochten worden. De schelfhorden bestaan uit gevlochten matten van twijgen of uit oude lappen stof. Om de afdichting te verbeteren wordt soms leem of stro gebruikt. [N 4A, 13c; N 4, 70]
I-6
|
| 18952 |
schelm |
schelm:
Det hauw mich dèè sjelm fi-jn gelapt
sjelm (L317p Bocholt)
|
slimme guit
III-1-4
|
| 24897 |
schemeren |
schemeren:
duister worden (zelden gebruikt).
šémərə (L317p Bocholt)
|
schemeren; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 17728 |
schemeren van de ogen |
sterren zien:
ex zēn sterə (L317p Bocholt)
|
schemeren voor de ogen, sterretjes zien [mijn oogen schiemere] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25023 |
schemering, valavond |
het vallen van de avond:
het valle van den oavendj (L317p Bocholt),
schemer:
sjiemer (L317p Bocholt)
|
Hoe heet de schemering (de tijd voor het donker wordt) ? [ZND 42 (1943)]
III-4-4
|