| 20315 |
getrouwde vrouw |
getrouwd vrouwmens:
gətraowt frómməs (Q156p Borgloon),
getrouwde vrouw:
gətraowdə vróów (Q156p Borgloon)
|
getrouwde vrouw; een - - moet kunnen naaien [RND]
III-2-2
|
| 21321 |
getuigen |
getuige zijn:
gətaygə ze.n (Q156p Borgloon),
getuigen:
gətøͅygə (Q156p Borgloon)
|
getuigen [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 33388 |
getuigrek |
haak:
hõ̜k (Q156p Borgloon),
tap:
tap (Q156p Borgloon),
(mv)
tɛp (Q156p Borgloon)
|
Het zwaardere paardetuig wordt meestal opgehangen aan de muur aan een rek, zware stokken, haken, knuppels, balkjes etc. Het kan ook op een plank gelegd worden. De benamingen geven vaak aan om welke mogelijkheid het gaat. Benamingen die naar een kast of kist verwijzen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigkast" (2.3.7). Zie ook dat lemma. [N 5A, 59e; add. uit N 13, 81]
I-6
|
| 19092 |
gevaarlijk |
gevaarlijk:
chəvaorlək (Q156p Borgloon)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 19093 |
gevaarlijke kerel |
dangereux (fr.):
danzərøͅys (Q156p Borgloon)
|
Dat is een gevaarlijke kerel. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 21322 |
gevangenis |
prison (<fr.):
pərzouŋ (Q156p Borgloon),
Van Dale: prison (<Fr.), (gew.) gevangenis.
prəzoͅun (Q156p Borgloon)
|
gevangenis [ZND 01 (1922)], [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 19743 |
gevel |
gevel:
gē.vəl (Q156p Borgloon)
|
een schoone gevel [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 17808 |
geven |
geven:
geejve (Q156p Borgloon),
gī.və (Q156p Borgloon)
|
geven [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
chəuyiləch (Q156p Borgloon)
|
mijn hand is nog gevoelig (b.v. op de plaats waar ik mij vroeger verbrand heb) [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
doof:
dōū.f (Q156p Borgloon)
|
in die vinger heb ik geen gevoel; hij is helemaal ... [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|