25110 |
weerlichtx |
licht:
leech (Q018p Geulle),
weerlicht:
weerlicht (Q018p Geulle),
zeebrand:
zièbrand (Q018p Geulle)
|
bliksem, elektrische vonk die bij onweer van de ene wolk naar de andere of naar de aarde overspringt [bledderum, vuurlicht, weerlicht] [N 81 (1980)] || weerlicht waarvan men de eigenlijke straal niet ziet, oplichtend aan de horizon [zeebrand] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
25206 |
weersgesteldheid |
weer:
weer (Q018p Geulle)
|
weer [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
23708 |
weesgegroet |
weesgegroet:
weesgegroet (Q018p Geulle)
|
Het gebed "Weesgegroet Maria", "Ave Maria", groetenis [jejruust zais(t) de Maria]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
23719 |
weesgegroetkralen |
koren:
käön (Q018p Geulle)
|
De Weesgegroet-kralen (53 stuks). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
17907 |
weggrissen |
snappen:
sjnappe (Q018p Geulle)
|
grissen: Snel wegnemen (grissen, ritsen, keuteren, graaien). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
17979 |
wegkwijnen |
achteruitgaan:
achteroet goan (Q018p Geulle),
wegteren:
weg tère (Q018p Geulle)
|
(Weg)kwijnen: langzaam achteruitgaan, gezegd van een zieke (kwijnen, kwelen, pratten, afteren). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
21159 |
wegwijzer |
wegwijzer:
wèègwiezer (Q018p Geulle)
|
een plank, bord, enz. met de richting van de weg, de afstand enz. (hand, handwijzer, wegwijzer) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
33663 |
wei |
groes:
grǫu̯s (Q018p Geulle),
wei:
węi̯ (Q018p Geulle, ...
Q018p Geulle)
|
Dunne, zoete vloeistof die, na de afscheiding van de kaasstof, van de melk overblijft. [L 27, 30 en 31; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 7, 15, 27 en 28; L 2, 7; A 9, 15a en 15b; S 15; Ge 22, 65 en 128; monogr.] || In het algemeen een stuk weiland of grasweide waar het vee graast. Bedoeld is een niet-omheinde weide. [N 14, 50a; N 14, 50b; N 5AøIIŋ, 76d; N 5AøIIŋ, 76e; N M 4a; L 19B, 2a!; L A2, 430; L 4, 40; L 32, 45; JG 1b, 1d, 2c; A 10, 3; A 3, 40; RND 20; Wi 4; R; S 43; Vld.; N 14, 129 add.; monogr.]
I-11, I-8
|
18902 |
weigerachtig |
niet doen:
neet doon (Q018p Geulle),
weiger:
weiger (Q018p Geulle)
|
geneigd om te weigeren [weiger] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
29176 |
wel |
wel:
wɛl (Q018p Geulle)
|
De uitstekende voorkant van een traptrede, meestal halfrond geprofileerd. De afstand van voorkant stootbord tot voorkant trede. Zie ook afb. 68c. [N 55, 89f]
II-9
|