| 18230 |
klomp |
klonk:
kloenk (P048p Halen),
kluŋk (P048p Halen)
|
In het algemeen de benaming voor schoeisel dat is vervaardigd uit een uitgehold stuk hout. Er bestaan verschillende soorten klompen. Zie ook de lemmata ɛhoge klompɛ, ɛlage klompɛ etc.' [N 24, 70a; N 86, 46; A 15, 31b; L 36, 38; monogr.] || klomp (Frans: sabot) [klomp, blok] [N 24 (1964)]
II-12, III-1-3
|
| 18245 |
klompschoen |
galoche (fr.):
gəloš (P048p Halen)
|
klompschoen (zwart) bestaande uit een houten zool en een lederen schoenachtig bovengedeelte [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18120 |
kloven |
kloven:
klouvə (P048p Halen)
|
kloven in de hand [kloove, klieve, sprunge, kreewe] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33675 |
kluit aarde |
klot:
klot (P048p Halen),
klǫt (P048p Halen)
|
[N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.]
I-8
|
| 21080 |
knabbelen |
knabbelen:
knabələ (P048p Halen)
|
knabbelen [knibbele] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 33338 |
knecht, algemeen |
knecht:
knęxt (P048p Halen)
|
[L 1, a-m; S 26; Wi 8; monogr.; add. uit S 6]
I-6
|
| 17921 |
knellen |
duwen:
doawe (P048p Halen)
|
die schoenen knellen mij (doen pijn) [ZND 28 (1938)]
III-1-2
|
| 18174 |
knellen, gezegd van schoenen |
duwen:
doawe (P048p Halen)
|
die schoenen knellen mij (doen pijn) [ZND 28 (1938)]
III-1-3
|
| 21058 |
kneuzen |
knotsen:
knozə (P048p Halen),
nutsen:
noͅtsə (P048p Halen),
nutsen (P048p Halen),
nytsə (P048p Halen),
titsen:
toͅtsə (P048p Halen)
|
blutsen, kneuzen (van appelen): de appelen niet blutsen [ZND 21 (1936)]
III-2-3
|
| 33939 |
knevels |
knevels:
knęi̯vǝls (P048p Halen)
|
Beide haakjes aan de bitringen, die aan het hoofdstel worden opgehangen. [N 13, 45]
I-10
|