| 20388 |
getuige zijn |
getuigen:
g’tuûge (L316p Kaulille)
|
getuige zijn bij een huwelijk [getuigen zijn, bronken] [N 115 (2003)]
III-2-2
|
| 21321 |
getuigen |
getuigen:
getuigen (L316p Kaulille)
|
getuigen [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 33388 |
getuigrek |
kapstok:
kapstǫk (L316p Kaulille)
|
Het zwaardere paardetuig wordt meestal opgehangen aan de muur aan een rek, zware stokken, haken, knuppels, balkjes etc. Het kan ook op een plank gelegd worden. De benamingen geven vaak aan om welke mogelijkheid het gaat. Benamingen die naar een kast of kist verwijzen, zijn overgeplaatst naar het lemma "getuigkast" (2.3.7). Zie ook dat lemma. [N 5A, 59e; add. uit N 13, 81]
I-6
|
| 19092 |
gevaarlijk |
gevaarlijk:
met veur speule is gevoarlik (L316p Kaulille),
met veur speulen is gevaerlijk (L316p Kaulille),
met vuur speulen is gevaorlijk (L316p Kaulille),
mit veur speulen is gevaorlik (L316p Kaulille),
mèt veur speulen is gevaorlik (L316p Kaulille)
|
Met vuur spelen is gevaarlijk. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 19093 |
gevaarlijke kerel |
gevaarlijk:
dat is neene gevaerlijke kerel (L316p Kaulille),
de ’s ine gevaorliken (L316p Kaulille),
des n gevaorlike kèrel (L316p Kaulille)
|
Dat is een gevaarlijke kerel. [ZND 37 (1941)]
III-1-4
|
| 21322 |
gevangenis |
prison (<fr.):
Van Dale: prison (<Fr.), (gew.) gevangenis.
preson (L316p Kaulille)
|
gevangenis [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 19743 |
gevel |
gevel:
gēͅvəl (L316p Kaulille)
|
een schoone gevel [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 17790 |
gevoelig (zijn) |
gevoelig:
geveulig (L316p Kaulille)
|
mijn hand is nog gevoelig (b.v. op de plaats waar ik mij vroeger verbrand heb) [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 17740 |
gevoelloos (zijn) |
doof:
doef (L316p Kaulille)
|
in die vinger heb ik geen gevoel; hij is helemaal ... [ZND 24 (1937)]
III-1-1
|
| 19381 |
gewelf |
welfsel:
wølǝfsǝl (L316p Kaulille)
|
Gebogen vlak, samengesteld uit bakstenen, dat de overdekking vormt van een ruimte die wordt omsloten door muren of pijlers. Zie ook de lemmata 'Troggewelf' en 'Tongewelf'. [S 10; L 1 a-m; L 24, 12; N 79, 18; monogr.]
II-9
|