e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Lanaken

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
klokhuis kits: kitsch (Lanaken), kitš (Lanaken) klokhuis (het binnenste van een appel) [ZND 17 (1935)] III-2-3
klomp klomp: kloomp (Lanaken, ... ), klōmp (Lanaken), klōmp (Lanaken) In het algemeen de benaming voor schoeisel dat is vervaardigd uit een uitgehold stuk hout. Er bestaan verschillende soorten klompen. Zie ook de lemmata ɛhoge klompɛ, ɛlage klompɛ etc.' [N 24, 70a; N 86, 46; A 15, 31b; L 36, 38; monogr.] || klomp; Hoe heet een houten schoeisel (fr. sabot)? [ZND 36 (1941)] II-12, III-1-3
kloosterorde orde: `n streng orde (Lanaken), ən streŋ ordə (Lanaken), ən strɛng ordə (Lanaken) Een strenge orde (kloosterorde geef aan of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. [ZND 40 (1942)] III-3-3
kluit fom: fomme (Lanaken), fômme (Lanaken) bollen die gevormd worden uit kolengruis, leem en water [ZND 36 (1941)] III-2-1
kluit aarde klot: klǫt (Lanaken) [N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.] I-8
knecht ketser: kɛtsǝr (Lanaken), molenknecht: [molen]knɛ̄.x (Lanaken) Molenaarsknecht. Zijn werkzaamheden bestaan erin de molenaar bij het malen te helpen, het graan bij de boeren op te halen en het meel terug te brengen. De woordtypen molenknecht (l 321a, l 361, l 362, l 368, l 370, l 415, l 416, l 417), vaarmolder (P 58), voerman (l 265, P 119, P 120, Q 112, Q 160), voermansknecht (Q 20), vaarknecht (l 289, l 330), uitvaarder (Q 240), rij(d)knecht (l 289), paardsknecht (Q 99*) en ketser (Q 88) zijn specifiek van toepassing op de knecht die het graan ophaalt en het meel thuisbrengt. In P 195 en Q 78 werd het bezorgen door de ɛmolderɛ zelf gedaan. De woordtypen bovenpakker (l 289), loopknecht (l 289), afweger (l 289), luijong (l 289) en halve gast (P 51) duiden knechten aan die een speciale taak in de molen vervullen. De term halve gast werd gebruikt voor een leerjongen die een halve betaling ontving. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [N O, 40e; N O, 40f; N O, 40g; Vds 269; Jan 287; Coe 236; Grof 263; Grof 268; monogr.] II-3
knellen nijpen: niepen (Lanaken), pitsen: petsə (Lanaken), pitsen (Lanaken), pitsə (Lanaken) die schoenen knellen mij (doen pijn) [ZND 28 (1938)] III-1-2
knellen, gezegd van schoenen nijpen: niepen (Lanaken), pitsen: petsə (Lanaken), pitsen (Lanaken), pitsə (Lanaken) die schoenen knellen mij (doen pijn) [ZND 28 (1938)] III-1-3
kneu kneutertje: kneuterke (Lanaken) kneu III-4-1
kneuzen blutsen: blōͅtsə (Lanaken), bløͅtsə (Lanaken), blətsə (Lanaken), boven de ö staat een lengte-teken  blötsə (Lanaken), knotsen: knootse (Lanaken), knōtsə (Lanaken) blutsen, kneuzen (van appelen): de appelen niet blutsen [ZND 21 (1936)] III-2-3