| 19654 |
hoofdkussen |
kopkussen:
koͅpkyəsə (K317p Leopoldsburg)
|
hoofdkussen [ZND 27 (1938)]
III-2-1
|
| 24344 |
hoofdluis |
haarluis:
ōͅrlø͂ͅs (K317p Leopoldsburg),
luis:
lø͂ͅs (K317p Leopoldsburg),
lø͂ͅzə (K317p Leopoldsburg)
|
hoofdluis [N 26 (1964)] || luis (znw enk) [N 26 (1964)] || luis (znw mv) [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 18059 |
hoofdpijn |
koppijn:
koppijn (K317p Leopoldsburg),
koppɛjn (K317p Leopoldsburg),
kopɛ.n (K317p Leopoldsburg),
pijn in de kop:
pɛjn inneͅ kop (K317p Leopoldsburg)
|
Hoofdpijn. Ik heb hoofdpijn. [Lk 05 (1955)] || ik heb hoofdpijn [ZND 34 (1940)]
III-1-2
|
| 32658 |
hoofdplaat |
schijf:
sxę̄f (K317p Leopoldsburg)
|
De hoofd- of zijplaat, ook wel tegenzool of grondweerplaat genoemd, is een terzijde van de ploegzool aangebrachte ijzeren plaat, die niet alleen als versterking van de ploegzool dient, maar ook en vooral de wand van de voor moet glad strijken om te verhinderen dat deze afbrokkelt en er aarde in de ruimte van het ploeglichaam valt. Soms stond deze plaat van boven in verbinding met de ploegboom. Sommige van de onderstaande termen worden ook in het lemma PLOEGBOOMBESLAG aangetroffen. Ze lijken vooral op de versterking van de poegzool te wijzen.
I-1
|
| 23341 |
hoofdtooi van communiemeisjes |
voile (fr.):
fūəl (K317p Leopoldsburg)
|
Sluier, lange witte ~ met een kroontje van wasbloempjes, hoofdtooi van Communiemeisjes. [N 25 (1964)]
III-3-3
|
| 24720 |
hoofdwortel |
penwortel:
penwortel (K317p Leopoldsburg)
|
Hoe noemt u: de hoofdwortel, die in het verlengde van de stam en sterk in de diepte groeit (pen, penwortel, paalwortel, pin?) [N 75 (1975)]
III-4-3
|
| 21868 |
hoog |
opbod:
opbod (K317p Leopoldsburg)
|
het bedrag waarmee men het bod verhoogt (door bijv. als verkoper mee te bieden) op een veiling [hoog] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 23248 |
hoog tijd |
hoge tijd:
uəgənteəjt (K317p Leopoldsburg)
|
Het is hoogtijd (dat we gaan). [ZND 27 (1938)]
III-3-3
|
| 23210 |
hoogdag |
heiligedag:
dḁzənvīəreləgədāəgə (K317p Leopoldsburg),
hoogdag:
dḁzənvīəruəchdāəgə (K317p Leopoldsburg)
|
Zeg in dialect: Er zijn vier hoogdagen (grote feestdagen). [ZND 27 (1938)]
III-3-3
|
| 23277 |
hoogmis |
hoogmis:
də hu.əchmis (K317p Leopoldsburg)
|
hoogmis [RND]
III-3-3
|