| 33653 |
braakland |
braakland:
brǭklanjtj (L377p Maasbracht),
dries:
drēs (L377p Maasbracht)
|
Stuk land of akker dat men één of meer jaren onbewerkt laat liggen alvorens het opnieuw te beploegen. [N 11, 6; N 27, 4b; N 27, 31; N 11A, 135; A 10, 4; A 33, 12; A 33, 14a; JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; L 22, 13; L 1a-m; L 1u, 22; L 19b, 1a; S 4; Ale 253; monogr.]
I-8
|
| 32706 |
braakland bewerken |
braakploegen:
brǭk[ploegen] (L377p Maasbracht)
|
Op een akker die men - vroeger overeenkomstig het drieslagstelsel, later om een bijzondere reden - een seizoen braak liet liggen, werd dat jaar geen gewas verbouwd. Een dergelijke akker werd echter wel verschillende malen ondiep geploegd en grondig afgeëgd, zulks om hem te zuiveren van hardnekkig onkruid, zoals kweek, en tevens om hem niet de voedingsbodem te laten zijn van gemakkelijk tierend onkruid in het algemeen. Voorzover de onderstaande termen geen object noemen, veronderstellen zij "de akker" of "het stuk" als object. In braken zal soms, in zomervoren meestal de betekenis "niet benutten voor de teelt", "braak laten liggen" meespreken. Men zie daarom ook de lemmata braakland en braak (laten) liggen. De woorden braken, belken en stropen komen ook in de lemmata ondiep ploegen en stoppelveld ploegen voor. [JG 1a; N 11A, 134b + 137q; N 11, 45 + 47 add.; monogr.]
I-1
|
| 33654 |
braakliggen |
braakliggen:
brǭklegǝ (L377p Maasbracht),
braken:
brǭkǝ (L377p Maasbracht),
dries liggen:
drēslegǝ (L377p Maasbracht)
|
Land of een akker voor een tijd, soms voor meerdere jaren, onbebouwd laten liggen. Naast de werkwoordelijke woordtypen als braken en braakliggen komen er in dit lemma ook woordtypen voor die bijvoeglijk van aard zijn. Deze hebben grammaticaal de functie van een bepaling van gesteldheid bij de werkwoorden (laten) liggen en zijn, b.v. het land ligt braak, is hard, woest en b.v. het land (voor) vogelwei laten liggen, (in de) dries laten liggen enz. [N 11, 5; N 11, 6; N 11A, 134a; N 11A, 135; N 27, 4b; L 1a-m; L 22, 13; JG 1a, 1b, 1d; S 4; Wi 43; Ale 253; monogr.]
I-8
|
| 24501 |
braambes |
bramelen:
brömel (L377p Maasbracht, ...
L377p Maasbracht),
bramelten:
braoumelte (L377p Maasbracht),
broamelt (L377p Maasbracht),
brōməltə (L377p Maasbracht)
|
braam(bessen) [RND] || braambes [DC 13 (1945)], [Roukens 03 (1937)], [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33295 |
braambessen |
bramelen:
brømǝlǝ (L377p Maasbracht),
bramelten:
bromǝltǝ (L377p Maasbracht)
|
Als aanvulling op de vraag die in het lemma Braam is behandeld werd ook geïnformeerd naar de benamingen van de vrucht van de braamstruik. [JG 1b gedeeltelijk, 1c, 2c]
I-5
|
| 24474 |
braamstruik |
bramelenstruik:
broamelestroek (L377p Maasbracht),
bramen:
brièm (L377p Maasbracht)
|
braam (struik) [Roukens 03 (1937)] || braamstruik [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 20788 |
braden |
braden:
broaje (L377p Maasbracht)
|
braden [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 18034 |
braken |
braken:
braken (L377p Maasbracht),
keuken:
kēūken (L377p Maasbracht),
kotsen:
kotse (L377p Maasbracht),
overgeven:
euvergève (L377p Maasbracht),
spijen:
spuje (L377p Maasbracht)
|
Braken of breken van taai-taai- en peperkoekdeeg. Volgens de informant van L 292 worden, als het deeg klaar is na een maand liggen, werkende stoffen o.a. honing, potas en ammoniak met koolzuur in het deeg gebracht. Het deeg wordt dan met de braak gekneed en omgegooid. De ligperiode van het deeg vooraf kan variëren van een paar dagen (Q 112) tot een halfjaar (Q 198b) of zelfs een jaar (L 271). Het deeg moet eigenlijk verstorven zijn. [N 29, 89a; monogr.] || kotsen [SGV (1914)] || Overgeven - Kent men het woord kokken, koken i.b.v. overgeven, neiging hebben tot overgeven? Zo ja, uitspraak. [DC 32 (1960)] || overgeven, vomeren [speuwe, spaven, kitse, kotse, kalve, kalvere] [N 10 (1961)]
II-1, III-1-2
|
| 20732 |
bramenvlaai |
bramelenvlaai:
broameleflaai (L377p Maasbracht)
|
Bramenvla [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18114 |
brandblaar |
brandblaar:
branjdblaor (L377p Maasbracht),
branjtbloar (L377p Maasbracht)
|
Een brandblaar. [DC 14 (1946)]
III-1-2
|