| 20155 |
vrouw, vrouwspersoon |
vrouw:
beschaafd dialect
vrouw (L267p Maasbree),
wijf:
ordinair dialect
wief (L267p Maasbree)
|
vrouw; (bestaat er een afzonderlijk woord voor vrouw in de beteekenis van echtgenoote?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17714 |
vrouwelijk geslachtsdeel |
fluit:
fluit (L267p Maasbree),
kut:
Tegenwoordig gemeen.
kut (L267p Maasbree),
pruim:
proëm (L267p Maasbree),
sneetje:
sneejke (L267p Maasbree)
|
[N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 34450 |
vrouwelijk jong van de geit |
geitenlammetje:
gęi̯tǝnlɛmkǝ (L267p Maasbree)
|
[N 19, 71c; N 19, 71a; N 77, 77; N 77, 75; Vld.; A 9, 21; N C, Q 111 add.]
I-12
|
| 34059 |
vrouwelijk kalf |
maalkalf:
mǭl[kalf] (L267p Maasbree)
|
[N 3A, 20; N C, 7b; JG 1a, 1b; A 9, 17b; Gwn V, 5b; monogr.]
I-11
|
| 34390 |
vrouwelijk schaap in het algemeen |
germ:
germ (L267p Maasbree),
ooi:
ōi̯ (L267p Maasbree)
|
De benamingen voor "vrouwelijk schaap" beantwoorden vooral aan de drie woordtypen ooi/ooitje, germ/germpje en het algemene woord schaap. Ten aanzien van het woordtype germ kan men opmerken dat het woord in nogal wat plaatsen kan duiden op het vrouwelijk schaap dat nog niet gelamd heeft. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; R 3, 35; A 4, 22b; AGV, m3; L 1a-m; L 5, 30a; L 29, 32; L 20, 22b; L B2, 318; monogr.; S 23, Q 113 add.]
I-12
|
| 34308 |
vrouwelijk varken |
zoog:
zōx (L267p Maasbree)
|
Vrouwelijk varken. Ten aanzien van gelt wordt opgemerkt dat het synoniem is met zeug (L 416), dat het een vrouwelijk, niet gedreven varken is (L 312, 353), dat het een vrouwelijk varken is dat niet dient voor de kweek (L 282, 286, 313, 315, 316, 354, 355, 356) of juist wel voor de kweek is bestemd (K 278). Verder kan het een oud woord zijn voor de zeug (L 354, 355) en kan het op een gesneden, vrouwelijk varken duiden (L 312). Oorspronkelijk duidde gelt op het gecastreerde vrouwelijk varken. In de loop van deze eeuw is men gelt ook gaan gebruiken voor het vrouwelijk varken. [L 20, 4a; L 14, 13; L 3, 2a; JG 1a, 1b, 1c, 1d, 2c; A 4, 4c; Wi 9; NE 1, 12; NE 2.I.8; AGV K1; R XII, 46; Gwn 5, 11; N M, 22 add.; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 21920 |
vrouwelijke duif |
duif:
dooͅeoͅf (L267p Maasbree),
zij:
Algemene opmerking: deze vragenlijst is heel slecht ingevuld!
’n zie (L267p Maasbree)
|
Hoe heet de vrouwelijke duif? [N 93 (1983)] || Wijfjesduif. [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 34543 |
vrouwelijke eend |
eend:
ē̜ŋ (L267p Maasbree)
|
[L 1a-m; JG 1a, 1b; S 18; A 6, add.]
I-12
|
| 34550 |
vrouwelijke gans |
gans:
gǭs (L267p Maasbree)
|
[A 6, 5b; L 1a-m; JG 1a, 1b; S 9; monogr.]
I-12
|
| 24440 |
vrouwelijke haas |
moer:
moor (L267p Maasbree)
|
Haas, wijfjeshaas [N 94 (1983)]
III-4-2
|