24378 |
slang |
slang:
slaŋ (L424p Meeswijk)
|
slang
III-4-2
|
31930 |
slangboor |
slangenboor:
slaŋǝbōǝr (L424p Meeswijk)
|
Een boorijzer voor hout dat uitloopt op een scherpe centerpunt met daaromheen twee voorsnijders en eventueel twee gutsjes. De schacht is voorzien van een enkele of een dubbele spiraal die niet snijdt, maar dient om het boorsel uit het boorgat te verwijderen. Met dit boorijzer kan men zeer nauwkeurig boren. Zie ook afb. 74a. [N 53, 165; N G, 31b; monogr.]
II-12
|
20647 |
slappe koffie |
lares:
lāres (L424p Meeswijk)
|
dunne, slappe koffie
III-2-3
|
18770 |
slappe vilten hoed? |
hoed van vilt:
hoed van vilt (L424p Meeswijk)
|
hoed van vilt
III-1-3
|
33751 |
slecht gesneden hengst |
klophengst:
klǫpeŋst (L424p Meeswijk),
piet:
pit (L424p Meeswijk),
pīt (L424p Meeswijk)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
33828 |
slecht van bouw |
(een) holle:
ǭlǝ (L424p Meeswijk)
|
De antwoorden van de correspondenten doelen vooral op een hol paard met ingevallen flanken en uitstekende heupen. Vgl. het lemma ''harmonisch van bouw'' (4.3.1). [N 8, 62k, 62l en 78a]
I-9
|
22344 |
slee |
ijsstoel:
Kinderen spelen met ijsstoelen en schaatsen.
īstōl (L424p Meeswijk),
slee:
De kinderen gaan met de slee het ijs op.
slè:j (L424p Meeswijk)
|
[I]. Slee: 1. Voertuig rustend op metalen ribben, dat glijdend wordt voortbewogen. || IJsstoel.
III-3-2
|
24552 |
sleedoorn |
sleen:
boom en de vruchten
slēənə (L424p Meeswijk, ...
L424p Meeswijk)
|
sleedoorn [Goossens 1b (1960)]
III-4-3
|
21179 |
sleepboot |
sleepboot:
sleepboot (L424p Meeswijk)
|
een kleine, zeer sterke stoom- of motorboot die andere vaartuigen op sleeptouw neemt [sleepboot, sleper, toogboot] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
32811 |
sleepcultivator, veertandeg |
breker:
brēǝkǝr (L424p Meeswijk)
|
Bedoeld wordt het cultivatortype van afb. 79. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zij verwezen naar het vorige lemma. In het lemma ''eg'' vindt men ''eg'' en ''eg'' geduid. [JG 1a + 1b; N 11, 78b; N 11A, 150b; N J, 10]
I-2
|