| 19314 |
kwaadspreekster |
klep:
opgepast viêr di-j klep, want straks wötsj jan-en-al-leman waat deste gezagd höbs
klep (L364p Meeuwen),
klepel:
klepel (L364p Meeuwen),
kwaaitong:
kwaaitong (L364p Meeuwen)
|
een vrouw die graag kwaad spreekt [kwadetong, vuiletong, kommeer, blameer, klapei] [N 85 (1981)] || klappei, kwaadspreekster
III-1-4
|
| 17983 |
kwaal |
kwaal:
kwo.l (L364p Meeuwen)
|
Kwaal: langdurige of telkens terugkerende ziekte (kwaal, klets, muik). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21727 |
kwajongensstreek |
grap:
ps. omgespeld volgens RND!
grap (L364p Meeuwen)
|
min of meer onschuldige kindergrap [bate(n), bake(n)] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24341 |
kwaken |
kwaken:
kwākə (L364p Meeuwen),
kweken:
kweken (L364p Meeuwen),
schreeuwen:
(de eend) sxrift (L364p Meeuwen)
|
kwaken || Roepen, gezegd van de eenden. [L 37, 8b]
I-12, III-4-2
|
| 18156 |
kwakzalver |
kwakzalver:
kwakzalvər (L364p Meeuwen)
|
Kwakzalver: iemand die onbevoegd de geneeskunde beoefent en vaak nutteloze dingen, middelen tegen alle mogelijke ziektes verkoopt (charlatan, plak, polak, kwakkelaar, waterziender, pisdokter, kwakzalver). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19136 |
kwalijk |
kwalijk:
kaolək (L364p Meeuwen)
|
kwalijk, niet goed, euvel
III-1-4
|
| 21693 |
kwanselen |
kwanselen:
kwanselen (L364p Meeuwen)
|
voortdurend zijn goederen ruilen of verkopen [kwanselen] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 24201 |
kwartel |
kwakkel:
kwakəl (L364p Meeuwen)
|
kwartel
III-4-1
|
| 24880 |
kweek |
puinen:
pęi̯.nǝ (L364p Meeuwen),
pɛinə (L364p Meeuwen),
wilde grassoort met wortelstokken
peine (L364p Meeuwen)
|
Elymus repens (L.) Gould Zeer algemeen voorkomend hardnekkig onkruid op gras- en bouwland en op akkerranden, dat er grasachtig uitziet met een rechtopstaande aar en donker- tot grijsgroen blad. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 30 tot 120 cm. Het is een lastig kruipend onkruid met veel onderaardse wortelstokken, die wel als veevoeder gebruikt worden. De boer verwijdert het met de eg uit de akker. Deze plant is ook wel bekend onder de oude naam kweekgras of tarwegras (Triticum repens L.). Zie in verband met de vele puin-opgaven de speciale bibliografie onder Goossens 1985; 1987 en 1988, 109-126. [N 11, 71; JG 1a, 1b, 2c; A 27, 24b; A 28, 10; A 29, 6 en 9; A 33, 17; L 34, 52; L 48, 18; Lu 2, 18; Lu 4, 9; S 20; monogr.; add. uit N 11, 70, 72, 80a en 88] || kweekgras || puinen
I-5, III-4-3
|
| 21344 |
kwellen |
plagen:
plōͅgə (L364p Meeuwen)
|
lichamelijk of geestelijk leed veroorzaken [plagen, kwellen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|