| 25150 |
opklaren |
lichter worden:
leechter wèère (L265p Meijel),
opklaren:
opklaore (L265p Meijel),
opkloare (L265p Meijel),
ŏpklaore (L265p Meijel),
optrekken:
optrekke (L265p Meijel)
|
opklaren, helder worden [op-, doorweere, optrekken, afzomen, zich klaren, opklaren] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 26974 |
oplegger |
oplegger:
oplɛgǝr (L265p Meijel)
|
Belangrijk werktuig voor de turfgraver. De kruk, steel en spade zijn van hout, waarbij steel en spade uit één stuk zijn gemaakt. De steel is ongeveer 50 cm lang. Op het houtwerk van de spade zit een stalen bek geklonken. Met de oplegger licht de turfgraver de turven uit de bank. [II, 40a]
II-4
|
| 34356 |
opleppen |
opleppen:
oplɛpǝ (L265p Meijel)
|
Een big met koemelk grootbrengen. [N 19, 16; N 19, 15; monogr.]
I-12
|
| 22016 |
opleren |
opleren:
oplīərə (L265p Meijel)
|
Hoe zegt men / hoe noemt men in Uw dialect: jonge duiven (een paar kilometer van het hok) wegbrengen, om ze te leren [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 18811 |
opletten |
opletten:
oplette (L265p Meijel),
opletten (L265p Meijel),
óplittə (L265p Meijel),
oppassen:
oppasse (L265p Meijel)
|
aandacht geven, letten op [beletten, nikken] [N 85 (1981)] || oplettend, achtslaan op wat kan gebeuren, gereed om te handelen, waakzaam [gewarig, gewaakzaam] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 18810 |
oplettend |
waakzaam:
waakzaam (L265p Meijel)
|
oplettend, achtslaan op wat kan gebeuren, gereed om te handelen, waakzaam [gewarig, gewaakzaam] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21275 |
opmaken |
opmaken:
gɛlt upma.kə (L265p Meijel),
opmakə (L265p Meijel),
opmākǝ (L265p Meijel)
|
Algemene benaming, in het bijzonder de sierkrans opvullen met bloemen. [N 61, 17e; N 61, 21e] || geld opdoen (opmaken) [RND]
II-7, III-3-1
|
| 33925 |
opmaken van staart en manen |
vlechten:
vlɛ̄xtǝ (L265p Meijel)
|
In dit lemma zijn de antwoorden op twee vragen samengebracht: "het opmaken van staart en manen" (N 8, 103a), en "een paardestaart vlechten" (N 8, 103b). De antwoorden op vraag 103a hebben immers vrijwel alleen met het opmaken en vlechten van de staart te maken. [N 8, 103a en 103b]
I-9
|
| 29110 |
opnaaisel |
opnaaiseltje:
opnɛjsǝlkǝ (L265p Meijel)
|
Omgenaaide plooi in een kledingstuk waardoor het korter wordt. [N 62, 20]
II-7
|
| 32928 |
opper |
hoop:
(mv)
hȳp (L265p Meijel),
huist:
hust (L265p Meijel)
|
De grootste soort hooihoop in het veld. [N 14, 112 en 111 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 10, 20; A 16, 3b; A 42, 20b; L 38, 38b; monogr.]
I-3
|