| 25643 |
taai-taaikruiden |
kruiden:
krø̜jǝ (L265p Meijel)
|
De kruiden die in taai-taaideeg worden verwerkt. In N 29, 87b werd gevraagd naar de "grondstoffen van taai-taaideeg". Uit de antwoorden zijn twee lemmata gedistilleerd t.w. ''taai-taaikruiden'' en ''zoetstof voor taai-taai''. De woordtypen "potas", "koolzuur "ammoniak", "water", "melk", "maagzout" zijn verder in het lemma niet fonetisch gedocumenteerd. Vergelijk het lemma ''peperkoekkruiden''. [N 29, 87b]
II-1
|
| 25651 |
taai-taaiplank |
taalplank:
tɛjplaŋk (L265p Meijel)
|
Plank die bij de taai-taaibereiding wordt gebruikt. Ten aanzien van de woordtypen die samengesteld zijn met peperkoek(s) zij opgemerkt dat het mogelijk is dat in de plaatsen waarvoor die opgaven gelden, de begrippen "peperkoek" en "taai-taai" samenvallen. Zie ook de toelichting bij het lemma ''taai-taaideeg''. Wat betreft de woordtypen "speculaasvorm" en "speculatieplank" vermelden beide informanten dat het hier om een plank gaat die ook voor speculaasbereiding wordt gebruikt. [N 29, 91; monogr.]
II-1
|
| 20704 |
taaie pannenkoek |
leren thijs:
Syst. WBD
lerrenties (L265p Meijel)
|
Taaie pannekoek, zonder gist gebakken (leere ties, leere maria?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 22524 |
taaien |
vermorzelen:
vermorsele (L265p Meijel)
|
IJs stuk maken door er steeds overheen te lopen [taaien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21826 |
taal |
taal:
taal (L265p Meijel, ...
L265p Meijel),
tong:
toong (L265p Meijel)
|
taal; datgene waarvan men zich bedient om zijn gedachte of gevoelens kenbaar te maken [taal, tong] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 20745 |
taart |
taart:
Syst. WBD
taart (L265p Meijel)
|
Taart (toert, gattoo?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 26305 |
taats van de kleine spil |
taats:
tāts (L265p Meijel)
|
Het onderste pinvormige gedeelte van de kleine spil dat bij vast werk in de taatspot draait. Zie ook afb. 62 en de toelichting bij het lemma ɛtaats van het staakijzerɛ.' [N O, 16d; A 42A, 24]
II-3
|
| 26541 |
taatspot van de kleine spil |
taatspot:
tātspo̜t (L265p Meijel)
|
De ijzeren pot op de pasbalk die in windmolens als lager van de kleine spil dient. [N O, 16g; A 42A, 25; N D, 21]
II-3
|
| 22086 |
tabaksnerven |
tabaksstelen:
tabakstēlə (L265p Meijel),
tabaksstengels:
tabakstèngels (L265p Meijel)
|
tabaksnerven? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 20577 |
tabakspruim |
pruim:
proeme
prŏĕm (L265p Meijel),
rolletje:
philips Maastricht
rulleke (L265p Meijel),
van een roltabak dan is het rulke
rulkə (L265p Meijel)
|
pruimtabak; Hoe noemt U: Een pluk tabak, om op te kauwen of op te zuigen (chique, sik, sjik, pruim, karot, keesje, rol) [N 80 (1980)]
III-2-3
|