e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... dialect=Q196p plaats=Mheer

Overzicht

Gevonden: 4071
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
braadworst braadworst: braodwoorsjt (Mheer), brotwoorsj (Mheer) braadworst [N 06 (1960)] || worst van rauw vlees [ZND 21 (1936)] III-2-3
braaf braaf: braaf (Mheer, ... ), ⁄t keent is braaf (Mheer) braaf [DC 02 (1932)], [SGV (1914)] || braaf, gezegd van een kind [N 06 (1960)] || met een goed karakter, alles doend zoals het hoort [braaf, gief] [N 85 (1981)] III-1-4
braakland braak: brāk (Mheer), brǭk (Mheer), braakland: brǭklant (Mheer), brǭklānt (Mheer), dries: drēš (Mheer), drēǝš (Mheer) Stuk land of akker dat men √©√©n of meer jaren onbewerkt laat liggen alvorens het opnieuw te beploegen. [N 11, 6; N 27, 4b; N 27, 31; N 11A, 135; A 10, 4; A 33, 12; A 33, 14a; JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; L 22, 13; L 1a-m; L 1u, 22; L 19b, 1a; S 4; Ale 253; monogr.] I-8
braakliggen braakliggen: brǭkleqǝ (Mheer), brǭkliqǝ (Mheer) Land of een akker voor een tijd, soms voor meerdere jaren, onbebouwd laten liggen. Naast de werkwoordelijke woordtypen als braken en braakliggen komen er in dit lemma ook woordtypen voor die bijvoeglijk van aard zijn. Deze hebben grammaticaal de functie van een bepaling van gesteldheid bij de werkwoorden (laten) liggen en zijn, b.v. het land ligt braak, is hard, woest en b.v. het land (voor) vogelwei laten liggen, (in de) dries laten liggen enz. [N 11, 5; N 11, 6; N 11A, 134a; N 11A, 135; N 27, 4b; L 1a-m; L 22, 13; JG 1a, 1b, 1d; S 4; Wi 43; Ale 253; monogr.] I-8
braambes bramelen: brommele (Mheer), broëmel (Mheer), brōāámel (Mheer), broͅmələ (Mheer), brómmel (Mheer, ... ) braam(bessen) [RND] || braambes [DC 13 (1945)], [SGV (1914)] III-4-3
braambessen bramelen: bro.mǝlǝ (Mheer) Als aanvulling op de vraag die in het lemma Braam is behandeld werd ook geïnformeerd naar de benamingen van de vrucht van de braamstruik. [JG 1b gedeeltelijk, 1c, 2c] I-5
braamstruik braamstruik: brêmschtroek (Mheer), bramenstruik: briemestroëk (Mheer) braam (struik) [ZND 32 (1939)] || braamstruik [SGV (1914)] III-4-3
braden braden: broaje (Mheer, ... ), vleisj brôje (Mheer) braden [SGV (1914)] || vlees braden en vlees bakken [ZND 22 (1936)] III-2-3
braken kalven: [schertsend]  kaave (Mheer), kotsen: kotse (Mheer), kotsse (Mheer), overgeven: euvergèève (Mheer), spijen: sjpuuje (Mheer), spuujje (Mheer) geef de gemeenzame woorden en uitdrukkingen voor overgeven, braken; geef aan tussen twee haakjes of ze gewoon , plat, schertsend, enz. gebruikt worden. [ZND 28 (1938)] || kotsen [SGV (1914)] || overgeven, vomeren [speuwe, spaven, kitse, kotse, kalve, kalvere] [N 10 (1961)] III-1-2
branden branden: branə (Mheer), de kachel brandt (Mheer), de stoof brant (Mheer), brennen: de vonk brent (Mheer) branden [ZND 01 (1922)] || brandt [de kachel ~ ] [SGV (1914)] III-2-1