| 24324 |
hommel |
hommel:
ook in ZND 01, a-m
huməl (Q253p Montzen)
|
hommel [ZND 27 (1938)]
III-4-2
|
| 25062 |
homp, brok, klont |
klok:
klòk (Q253p Montzen),
klomp:
klomp (Q253p Montzen),
klots:
klots (Q253p Montzen),
klöts (Q253p Montzen),
kluit:
klūt (Q253p Montzen),
klu‧a.t (Q253p Montzen),
ps. boven de ü staat nog een dakje (^ deze combinatieletter is niet te maken.
klüt (Q253p Montzen),
knul:
knül (Q253p Montzen)
|
kluit [ZND 01 (1922)]
III-4-4
|
| 19784 |
hond |
hond:
ho.nt (Q253p Montzen),
hônd (Q253p Montzen)
|
hond [ZND 01 (1922)], [ZND 21 (1936)]
III-2-1
|
| 28524 |
hongerzwerm |
hongerzwerm:
hoŋǝržwɛ̄rǝm (Q253p Montzen)
|
Bijenvolk dat door de honger gedreven, kast of korf verlaat. Wanneer er in de woning geen druppel honing en korrel stuifmeel meer is, besluit het bijenvolk tot massale vlucht. Door het feit dat de bijen geen gevulde honingblaasjes hebben, steken zij snel en geducht. Een hongerzwerm komt echter slechts sporadisch voor. [N 63, 37c; N 63, 37e]
II-6
|
| 21043 |
honing |
honig:
hoǝ.nǝx (Q253p Montzen),
honing:
hǫǝnǝŋ (Q253p Montzen)
|
Produkt door de bijen uit bloemvocht of nectar bereid en afgezet in de cellen van de raten. Honing is een zoete stof die door mensen als voedingsmiddel wordt gebruikt. [N 63, 43b; N 63, 111; L 1a-m; L 35, 105; S 14; S 38, JG 1a+1b; JG 2b-5; Ge 37, 128; A 9, 8; monogr.]
II-6
|
| 28549 |
honing halen uit klaver, linde enz |
vliegen na:
vlēgǝ nǫ (Q253p Montzen)
|
Het verzamelen van honing en stuifmeel door de bijen uit klaver, linde enz. [N 63, 51; Ge 37, 81]
II-6
|
| 28665 |
honing zeven |
ziften:
zeftǝ (Q253p Montzen),
zijen:
zejǝ (Q253p Montzen)
|
Het zeven van de honing tijdens het slingeren. Door een zeef aan de tapkraan te hangen kan men de druipende honing al reinigen. De in de honing achtergebleven zegels, broed, wasdeeltjes en andere onzuiverheden licht men eruit. Bij voorkeur zeeft men tweemaal tijdens het slingeren. Platte zeven geven vrij veel verlies en raken spoedig verstopt. Men kent ook bolvormige en puntvormige honingzeven. [N 63, 127a; Ge 37, 177; monogr.]
II-6
|
| 28684 |
honingbak |
batche:
batš (Q253p Montzen)
|
Opvangbak bij het slingeren voor gezeefde honing. Men kan hiervoor ieder willekeurig vat, een emmer (liefst geen zinken, gegalvaniseerde of koperen maar wel een roestvrij stalen), een kuip of pot gebruiken. [N 63, 127c; monogr.]
II-6
|
| 28450 |
honingcel |
honingcel:
hǫǝnǝŋsɛl (Q253p Montzen)
|
Elk van de zeshoekige openingen in de raat waarin de honing wordt opgeslagen. [N 63, 46a]
II-6
|
| 28667 |
honingdrank |
hydromel:
hidromɛl (Q253p Montzen)
|
Na de verwijdering van de honing uit de raten houdt men ruwe was over die gezuiverd wordt met water. De gegiste honing- en wateroplossing wordt dan mee of mede, honingdrank genoemd. [N 63, 120a; R 3, 45; Ge 37, 148; JG 2b-5, add.; monogr.]
II-6
|