| 18187 |
hoofddoek |
kopdoek:
kóptōk (Q253p Montzen),
marktplag:
Als door marktvrouwen gedragen.
maatplak (Q253p Montzen)
|
Hoofddoek (fr. fichu). [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 19654 |
hoofdkussen |
kopkussen:
koͅpkøͅsə (Q253p Montzen)
|
hoofdkussen [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 24344 |
hoofdluis |
luis:
lû.s (Q253p Montzen),
ook in ZND BrA2, 394
lû.s (Q253p Montzen)
|
luis [ZND m]
III-4-2
|
| 23210 |
hoogdag |
hoogdag:
huəchdāch (Q253p Montzen)
|
Een hoge kerkelijke feestdag [hoogdag, hoogtijd]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23277 |
hoogmis |
hoogmis:
hu,əme.s (Q253p Montzen),
huemês (Q253p Montzen),
huəmēs (Q253p Montzen)
|
De hoogmis [hoeëmès, hoegmès, hómmes?]. [N 96B (1989)] || Hoe heet de gezongen mis van de zondag? [ZND 38 (1942)] || hoogmis [RND]
III-3-3
|
| 26374 |
hoogsel |
hoogsel:
høxsǝl (Q253p Montzen)
|
Onderzetstuk bestaande uit een paar stroringen dat onder de korf wordt geplaatst. Dit onderzetstuk of hoogsel plaatst men voor het geval de bijen de raten zo ver uitbouwen dat de korf te klein wordt. Dit hoogsel gebruikt men alleen in de korfteelt. Men kan het onderverdelen in een laag en hoog hoogsel. De hoge onderzetter heeft men vaak nodig wanneer een goed of sterk volk de korf bewoont. [N 63, 5c]
II-6
|
| 28932 |
hoogte |
hoogte:
højx˱dǝ (Q253p Montzen)
|
Benaming voor een verticale maat, in het bijzonder als tweede lid van een samenstelling als rughoogte. [N 59, 46]
II-7
|
| 22164 |
hooi |
hooi:
h˙ø̜i̯ (Q253p Montzen)
|
Gemaaid en op het veld drogend of gedroogd gras. In de klankkaart is de klankkleur (eerst velair, dan palataal) en de lengte van de klinker aangegeven; korte klinkers hebben een toevoeging aan het symbool. De aan- en afwezigheid van de j-klank is niet in kaart gebracht, maar uit de varianten in het lemma zelf af te lezen; per aangegeven klankkleur en lengte staan steeds de diftongen vooraan. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht. [N 7, 58; N 14, 88b en 128a; JG 1a, 1b; A 10, 17 en 20; A 16, 1-4; L 1 a-m; L 27, 17; L 34, 70; L 38, 35-36; RND 122; Wi 52; S 14; R (s]
I-3
|
| 32909 |
hooihark |
reek:
rē̜k (Q253p Montzen),
rē̜ǝ.k (Q253p Montzen),
ręi̯ǝk (Q253p Montzen)
|
Grote houten hark gebruikt om het op het land liggend hooi bijeen te halen. Zie afbeelding 11 voor de meest voorkomende vorm. Aan de anderhalf tot twee meter lange steel (zie lemma ''steel van de hooihark'' hieronder) is, doorgaans schuins, een balk bevestigd (zie lemma ''dwarsbalk van de hooihark'') van 60 tot wel 150 cm. breed, waardoorheen 8 tot 15 houten pinnen als tanden zijn aangebracht die aan beide zijden 15 tot 20 cm. uit de balk steken (zie lemma ''tanden van de hooihark''). Vaak is ter versteviging van de constructie een verbinding tussen steel en balk aangebracht; soms wel twee van dergelijke verbindingsstukken aan één zijde van de steel, of aan beide zijden één verbindingsstuk (zie lemma ''steunhoutjes tussen steel en balk''). Behalve bij het hooien wordt de hooihark ook wel incidenteel gebruikt om losliggend stro bijeen te harken in de schuur of bij het aren lezen; zie daar. In verschillende dialecten is het vocalisme van reek "hark" met dat van riek "meertandige vork" samengevallen. De twee termen zijn in betekenissfeer wel nauw verwant, maar etymologische verwantschap wordt meestal niet aangenomen. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel (hooi) zie het lemma ''hooi''.' [N 18, 92 en 95b; JG 1b; A 28, 1c; A 41, 26 add.; L 2, 13; L B2, 240; Lu 6, 1c; monogr.]
I-3
|
| 24325 |
hooiwagen |
krotenspin:
slecht te lezen
krütəspän (Q253p Montzen)
|
hooiwagen [ZND 01u (1924)]
III-4-2
|