| 22730 |
standbeeld |
monument:
monyme.nt (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
standbeeld [RND]
III-3-2
|
| 21260 |
steeg, steegje |
gats, gatsje:
ga.ts (Q253p Montzen),
gats (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen,
Q253p Montzen),
smalle straat, smal straatje:
schmaal strötsche (Q253p Montzen)
|
Steeg (smal straatje). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 17821 |
steek |
steek:
štî.ək (Q253p Montzen),
štiǝk (Q253p Montzen)
|
De doorgehaalde draad in de groef; ook de manier van naaien. [N 60, 111a] || een steek met een mes [ZND 07 (1924)]
II-10, III-1-2
|
| 30828 |
steek -als eenheid van maat |
steek:
štiǝk (Q253p Montzen)
|
Benaming voor verschillende maten of de eenheid van maat. Er zijn diverse eenheidsmaten van de schoenmakers. Men kent een Franse steek van 2/3 cm en een Engelse van 8,5 mm. Volgens de informant van L 293 wordt de Hollandse maat weinig gebruikt; bij deze is maat 45 30 cm. De Franse maatberekening berust op het berekenen van de balmaat en de andere maten op de lengte van de leest, die in Franse steken is aangeduid. De verhouding van steken tot centimeters is: drie steken is gelijk aan twee cm. [N 60, 152c]
II-10
|
| 31027 |
steekgaatjes |
steken:
(enk)
štex (Q253p Montzen)
|
De met de els gestoken gaatjes waardoorheen men bij het naaien de pekdraad zal gaan rijgen. [N 60, 110]
II-10
|
| 31057 |
steekopzetter |
bout:
bōt (Q253p Montzen)
|
Het instrument waarmee men in de rand de steken meer zichtbaar maakt. Een soort ijzeren vorktongetje op een handvat. Zie afb. 58. [N 60, 124a]
II-10
|
| 19408 |
steelvormig handvat |
steel:
štē.l (Q253p Montzen),
štēl (Q253p Montzen)
|
steel van een vork [ZND 07 (1924)]
III-2-1
|
| 19637 |
steenkool |
kolen:
kōͅ‧l.ə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
kool:
kōͅ:l (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
steenkool [ZND 04 (1924)], [ZND 36 (1941)]
III-2-1
|
| 18111 |
steenpuist, bloedzweer |
bloedzweer:
bló:tschwè:r (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
[aantal:] één
blootzjwèr (Q253p Montzen),
Één.
blootzjwèr (Q253p Montzen)
|
negenoog (bloedzweer, fr. juroncle) [ZND 05 (1924)], [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 17820 |
steken |
steken:
štęǝkǝ (Q253p Montzen)
|
Het prikken met de angel in de huid door de bijen. [N 63, 73b; Ge 37, 124; monogr.]
II-6
|