| 23908 |
zielenheil |
goed van de ziel:
ət got van də ziəl (Q253p Montzen)
|
Het zieleheil. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17783 |
zien, kijken |
kijken:
ki.kə (Q253p Montzen),
zien:
zīə (Q253p Montzen)
|
kijken [ZND 25 (1937)] || zien [RND]
III-1-1
|
| 23427 |
zijaltaar |
zijaltaar:
der zijɛlter (Q253p Montzen)
|
In een zijbeuk [zijaltaar?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23354 |
zijbeuk |
zijschip:
et zijsjef (Q253p Montzen)
|
De beide zijruimten, links en rechts van het middenschip [zijbeuken?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 17644 |
zijde |
zij:
zi.i (Q253p Montzen),
zij (Q253p Montzen),
(bij a als b: zelfde uitspraak).
hat pieng i gen ziej (Q253p Montzen),
zij(de):
zej (Q253p Montzen),
zejǝ (Q253p Montzen)
|
Hij heeft pijn in zijn zijde. [ZND 08 (1925)] || Natuurprodukt dat wordt verkregen bij het afwikkelen van de cocons waarmee het zijderupsje zich omhult totdat het zich ontpopt tot vlinder (Morand, pag. 58). Het is de grondstof voor weefsels. [N 62, 79a; N 62, 75c; N 59, 201; L 8, 117; MW; monogr.] || zij, zijde (pijn in de zij) [N 07 (1961)] || zijde [ZND m]
II-7, III-1-1
|
| 23359 |
zijkapel |
zijkapel:
de zijkapɛl (Q253p Montzen)
|
Elk van beide zijkapellen van een kruiskerk. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18028 |
zijn neus snuiten |
snoeven:
ṣnuvə (Q253p Montzen),
snuiten:
schnute (Q253p Montzen),
schnüte (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
sjnuutə (Q253p Montzen)
|
Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snutten, snoeven). [N 107 (2001)] || snuiten [ZND 07 (1924)]
III-1-2
|
| 23804 |
zijn pasen doen |
zijn pasen houden:
(ziŋ) posjə howə (Q253p Montzen)
|
De Paascommunie doen [de oeëster hauwe]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23805 |
zijn pasen houden |
zijn pasen houden:
ziŋ pòsjə hòwə (Q253p Montzen)
|
Zijn Paasplicht vervullen, zijn Pasen houden, d.w.z. in de Paastijd, rond Pasen te biecht en te Communie gaan [ziene paose ha.lde, zien Paoskemunie doon]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23360 |
zijpad |
zijgang:
der zijgāŋk (Q253p Montzen)
|
Elk van beide zijgangen [zijpad?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|