e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zielenheil goed van de ziel: ət got van də ziəl (Montzen) Het zieleheil. [N 96D (1989)] III-3-3
zien, kijken kijken: ki.kə (Montzen), zien: zīə (Montzen) kijken [ZND 25 (1937)] || zien [RND] III-1-1
zijaltaar zijaltaar: der zijɛlter (Montzen) In een zijbeuk [zijaltaar?]. [N 96A (1989)] III-3-3
zijbeuk zijschip: et zijsjef (Montzen) De beide zijruimten, links en rechts van het middenschip [zijbeuken?]. [N 96A (1989)] III-3-3
zijde zij: zi.i (Montzen), zij (Montzen), (bij a als b: zelfde uitspraak).  hat pieng i gen ziej (Montzen), zij(de): zej (Montzen), zejǝ (Montzen) Hij heeft pijn in zijn zijde. [ZND 08 (1925)] || Natuurprodukt dat wordt verkregen bij het afwikkelen van de cocons waarmee het zijderupsje zich omhult totdat het zich ontpopt tot vlinder (Morand, pag. 58). Het is de grondstof voor weefsels. [N 62, 79a; N 62, 75c; N 59, 201; L 8, 117; MW; monogr.] || zij, zijde (pijn in de zij) [N 07 (1961)] || zijde [ZND m] II-7, III-1-1
zijkapel zijkapel: de zijkapɛl (Montzen) Elk van beide zijkapellen van een kruiskerk. [N 96A (1989)] III-3-3
zijn neus snuiten snoeven: ṣnuvə (Montzen), snuiten: schnute (Montzen), schnüte (Montzen, ... ), sjnuutə (Montzen) Snotteren: herhaaldelijk en hoorbaar de neus ophalen om deze vrij te maken van neusvocht (snotteren, snutten, snoeven). [N 107 (2001)] || snuiten [ZND 07 (1924)] III-1-2
zijn pasen doen zijn pasen houden: (ziŋ) posjə howə (Montzen) De Paascommunie doen [de oeëster hauwe]. [N 96C (1989)] III-3-3
zijn pasen houden zijn pasen houden: ziŋ pòsjə hòwə (Montzen) Zijn Paasplicht vervullen, zijn Pasen houden, d.w.z. in de Paastijd, rond Pasen te biecht en te Communie gaan [ziene paose ha.lde, zien Paoskemunie doon]. [N 96D (1989)] III-3-3
zijpad zijgang: der zijgāŋk (Montzen) Elk van beide zijgangen [zijpad?]. [N 96A (1989)] III-3-3