| 31422 |
booromslag |
borendrouw:
boarǝdry (Q253p Montzen)
|
Een C-vormige houten of metalen kruk waarmee bij de omslagboor een draaiende beweging aan het boorijzer wordt gegeven. Aan de bovenzijde is een leunknop aangebracht waarmee men tijdens het boren met de hand of met de borst druk kan uitoefenen op het boorijzer. Zie ook afb. 81 en het lemma ɛbooromslagɛ in Wld II.11, pag. 84. De omslagboor wordt door verschillende houtbewerkers gebruikt. De klompenmaker boort er bijvoorbeeld koppelgaatjes mee in klompen. Zie voor de woordtypen boordrouw en borendrouw uit respectievelijk Kerkrade e.o. (Q 121) en Montzen (Q 253) ook RhWb (I), kol. 1437, s.v. Drau, ø̄das Gestell am Handbohrer, das den eingesetzten Bohrer dreht, Bohrwinde Drehbügelø̄.' [N 33, 133; N 53, 161a; N 97, 110a; A 29a, 14a-14b; monogr.]
II-12
|
| 21178 |
boot(je) |
kaan:
vgl. WNT: kaan (II), 1. In t algemeen, t.w. als benaming voor een of ander vaartuig, schip of scheepje, bootje, schuitje.
kān (Q253p Montzen),
schuit(je):
šüt (Q253p Montzen)
|
een bootje (om te roeien) [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 19600 |
bord |
telder:
teͅldər (Q253p Montzen),
tɛldər (Q253p Montzen)
|
bord [ZND m] || bord (bij het eten gebruikt) [ZND 16 (1934)]
III-2-1
|
| 21594 |
borg blijven |
borg blijven:
voər iəmə bōrəg blīvə (Q253p Montzen),
goed blijven:
voər iəmə gōt blīvə (Q253p Montzen)
|
Borg blijven voor iemand. [ZND 22 (1936)]
III-3-1
|
| 19497 |
borstel |
borstel:
bøǝštǝl (Q253p Montzen),
bø̜ǝštǝl (Q253p Montzen),
bøͅ.əštəl (Q253p Montzen)
|
borstel [ZND 01 (1922)] || De borstel waarmee men de koperen ketel schoonmaakte. Volgens de invuller uit L 387 was een "schrobber" een heibezem waarvan de fijne, dunne takken waren afgesneden zodat met dikkere takken heide werd geschuurd. De "schuurbessem" uit L 381b was een, liefst halfversleten, zelf gebonden bezem van dunne berketwijgen of heide. [N 57, 39a] || Het stijve haar van een varken dat men aan de uiteinden van de pekdraad vastmaakt om de draad gemakkelijker door de met een els geprikte gaten heen te halen. Hensen zegt hierover op pag. 37: "Bij "binnengenaaide" schoenen maakt men gebruik van een pekdraad. Die pekdraad bestaat uit ongeveer 4 tot 6 dunnere draden van vlas welke in elkaar gedraaid worden en van pek voorzien om verrotting door vocht en verschuiving tegen te gaan. De beide uiteinden van de pekdraad moeten geleidelijk uitlopen (rispeleind) om een borstel te kunnen bevestigen. Deze borstels kunnen van varkenshaar zijn of van staal." Zie afb. 14. [N 60, 198a; N 60, 195b; N 60, 238a]
II-10, II-2, III-2-1
|
| 17578 |
borstelig haar |
borstelhaar:
bøəṣtəlhōr (Q253p Montzen)
|
Borstelig haar (stekelhaar, pinhaar). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 18082 |
borstvliesontsteking |
fleuris:
flöres (Q253p Montzen),
pleuris:
plö:res (Q253p Montzen)
|
pleuris [ZND 05 (1924)], [ZND m]
III-1-2
|
| 18528 |
borstzak(je) |
tas op de borst:
tɛ̄jš opən brost (Q253p Montzen)
|
de buitenzak ter hoogte van de borst [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 33713 |
bos |
bos:
bø̄.š (Q253p Montzen)
|
Een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond hetzij in natuurstaat of aangelegd. [N 27, 4a; RND 82; L 1a-m; L 22, 7; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 19731 |
bot |
bot:
boͅt (Q253p Montzen)
|
bot (niet scherp) [ZND 32 (1939)]
III-2-1
|