e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
haan haan: hãn (Montzen), hān (Montzen), koekeloerer: kø̜kǝlø̜rǝr (Montzen) Het mannetje van de hoenderen. [N 19, 39; A 39, 3c; A 6, 1a; A 2, 30; L 7, 27; L 14, 19; L 26, 17; L 1a-m; JG 1a, 1b; Wi 13; Wi 17; Gwn 5, 15 add.; Vld.; monogr.] I-12
haar haar: hōͅ.r (Montzen), haren (mv.): ho.rə (Montzen) haar [ZND m] || haar (op het hoofd) [RND] III-1-1
haarenkelen (zich) stoten: štutǝ (Montzen), zich aan de enkel stoten: zich agenen énkel stoete (Montzen) De enkels bij het stappen tegen elkaar strijken of slaan, zodat ze verwond geraken. [L 1, a-m; N 8, 71, 72, 78a, 79 en 84d; S 8] || ik heb mijn enkel stuk gestooten [ZND 01u (1924)] I-9, III-1-2
haarscheiding schei: ṣej (Montzen) Scheiding in het haar (sjei(g)el). [N 109 (2001)] III-1-1
haarwrong kuif: kuf (Montzen) Haarwrong van een vrouw (knot, dot, wrong, kuif). [N 109 (2001)] III-1-1
haastig gepresseerd: gəprēͅsēət (Montzen), haastig: hø̄stəx (Montzen) Grooten haast hebben [ZND 26 (1937)] III-1-4
hagedis eidechse (du.): ook in ZND 01u, 168  eideks (Montzen) hagedis, muurhagedis [ZND 01 (1922)] III-4-2
hagelsteen, hagelkorrel (mv.) hagelsteen: hā:gəlštēͅəŋ (Montzen) hagelsteen, zo dik als ... [ZND 26 (1937)] III-4-4
hak hak: hak (Montzen), knuppel: knøpǝl (Montzen), knø̄pǝl (Montzen), knø̜pǝl (Montzen) De verhoging, al of niet geheel of gedeeltelijk van leer, onder de hiel van de voet. [N 60, 233c; N 60, 126a; N 60, 169a; L 48, 28a; L 48, 28b; L 1a-m; L 1u, 82; L 5, 50; N 7, 37b; L 29, 42; monogr.] II-10
hak van een schoen absatz (du.): absatz (Montzen), knuppel: kneupel (Montzen), knöpel (Montzen), knöpəl (Montzen), knøpəl (Montzen, ... ), pollevie: Is de oude benaming van der knöppel.  poləvi (Montzen) De hak (welke soorten) [N 60 (1973)] || De verhoging van leer onder de hiel van de voet? (hak, pollevie?)Zie tek. 126a. [N 60 (1973)] || hak van de schoen [N 07 (1961)] || hak van de schoen (achterlap) [ZND 01u (1924)] || Pollevie? [N 60 (1973)] || Pollevij (achterlap van een schoen; fr. talon). [ZND 05 (1924)] III-1-3