e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
handpalm binnenste, het -: ət bɛnəstə va gən hānt (Montzen) Palm van de hand (binnenste van de hand, plat van de hand). [N 109 (2001)] III-1-1
handschoen haas: hésch - e paar hésche (Montzen), hês (Montzen), hands: hejš (Montzen) De handschoen die ter bescherming van de handen wordt aangetrokken bij het behandelen van de bijen. [N 63, 75a; monogr.] || handschoen - een paar handschoenen [ZND 01u (1924)] || handschoen - handschoenen [ZND m] II-6, III-1-3
handveger, stoffer handbezem: handbèssem (Montzen), kwispel: kweespel (Montzen), kwispel (Montzen), kwispeltje: kwispelsche (Montzen) handveger [ZND 02 (1923)] III-2-1
handvol handvol: ha.fəl (Montzen) handvol [ZND m] III-4-4
handvol spijkers handvolletje: hęfǝlšǝ (Montzen) Een handje vol spijkers, die de schoenmaker in de mond nam om ze vlot te kunnen inhameren in de zool. [N 60, 163] II-10
handzaag, sint-jozefzaag fok(s)zwans: fuksšwans (Montzen) Handzaag, waarvan het blad vanaf het handvat geleidelijk smaller uitloopt. De handzaag wordt voor alle voorkomende zaagwerkzaamheden gebruikt. Zie ook afb. 12. [N 53, 2; N G, 23a; monogr.; N 33, 330; L 8, 101, add.; div.] II-12
handzeef zeef: zēf (Montzen), zij: zēi̯ (Montzen) De grove zeef waarmee het zaaigraan wordt gewonnen. Er komen twee hoofdtypen voor: de ronde handzeef van ongeveer 80 cm doorsnede met een opstaande rand van ongeveer 10 tot 15 cm. Ouder is wel de rechthoekige houten bak met een bodem van gaas (heel vroeger van fijne gevlochten wilgetenen) die aan een koord werd opgehangen aan een balk in de schuur. In Haspengouw is dit type het oorsponkelijke. In Oost-Haspengouw noemt men het de ries; ook bij het type wan in West-Haspengouw wordt uitdrukkelijk door de zegslieden vermeld dat het hier om een grote vierkante graanzeef gaat. Zie afbeelding 15. Bij het type zij, zijg daarentegen vermeldt men dat dit woord doorgaans de keukenzeef aanduidt, of de vergiet, gebruikt voor melk en soep. [N 14, 38b, 41a, 42a, 43a en 44; JG 1a, 1b, 1c, 2c; L 8, 118; S 45; monogr.] I-4
hangen hangen: ha.ŋ.ə (Montzen), haŋə (Montzen) hangen [ZND 25 (1937)], [ZND m] III-1-2
hangen van de zwerm hangen: haŋǝ (Montzen) Het bevestigd zijn van de zwerm aan een tak, boomstam, struik of anderszins. [N 63, 34b; Ge 37, 104] II-6
hangslot kluister: klōēster (Montzen), klustər (Montzen) hangslot [N 07 (1961)], [ZND 06 (1924)] III-2-1