e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Munstergeleen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
mijt afdekken dekken: dękǝ (Munstergeleen) De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.] I-4
mikken mikken: mikke (Munstergeleen) doelen [SGV (1914)] III-3-2
minderen minderen: mindere (Munstergeleen) minderen [SGV (1914)] III-1-3
minderjarig minderjarig: minderjeùrig (Munstergeleen) minderjarig [SGV (1914)] III-2-2
mismaakt mismaakt: mismaak (Munstergeleen) mismaakt [SGV (1914)] III-1-2
moe moeg: meug (Munstergeleen) moe [SGV (1914)] III-1-2
moeder ma: mā (Munstergeleen), mam: mam (Munstergeleen), mama: mamā (Munstergeleen), mɛmā (Munstergeleen), mem: mɛm (Munstergeleen), moeder: modər (Munstergeleen), mooder (Munstergeleen), mōdər (Munstergeleen), moͅtər (Munstergeleen) (moeder;) Hoe wordt de moeder door de kinderen aangesproken? [DC 05 (1937)] || moeder [DC 03 (1934)], [SGV (1914)] || moeder; (Hoe wordt de moeder door de kinderen aangesproken?) [DC 05 (1937)] III-2-2
moeite moeite: möjtə (Munstergeleen) moeite; hij geeft zich moeite [DC 03] III-1-4
moer moer: mōor (Munstergeleen) konijn, vrouwtje [DC 04 (1936)] III-2-1
moeras zomp: zomp (Munstergeleen), zōǝmp (Munstergeleen) Waterachtig, laaggelegen, drassig land, broekland, gebied zonder behoorlijke afwatering. [N 27, 20; N 14, 53; N 6, 33b; R 3, 9; A 2, 57; RND 20; Wi 17; Wi 54; L 19B, 2aI; Vld.; monogr.] I-8